Vertrouwen in de wetenschap


Regelmatig is te horen dat het vertrouwen in de wetenschap afneemt. Maar is dat werkelijk het geval? Met het LISS panel hebben Peter van der Velden en Ruud Muffels van Tilburg University die vraag in februari 2017 wetenschappelijk beantwoord.

 

Regelmatig is te horen dat het vertrouwen in de wetenschap afneemt. Maar is dat werkelijk het geval? Met het LISS panel hebben Peter van der Velden en Ruud Muffels van Tilburg University die vraag in februari 2017 wetenschappelijk beantwoord.

 

In het LISS panel worden namelijk vanaf 2007 ieder jaar vragen gesteld over het vertrouwen dat panelleden hebben in de wetenschap (naast het vertrouwen in andere instellingen zoals de rechtspraak en zorg). Belangrijk is  verder te melden dat panelleden een representatieve afspiegeling vormen van de Nederlandse bevolking. De mate waarin panelleden vertrouwen hebben in de wetenschap geeft dus inzicht in hoeverre Nederlanders daarin vertrouwen hebben.
Wat was de uitkomst? Het gemiddelde cijfer in de jaren 2007 tot en met 2016 bleek ongeveer een 7 te zijn (op een schaal van 0 tot 10). In tegenstelling tot alle berichten bleek het vertrouwen dus behoorlijk stabiel. We vonden dus helemaal geen aanwijzingen dat het vertrouwen afneemt. Opvallend was verder dat het vertrouwen in de wetenschap veel groter was in al die jaren dan het vertrouwen in bijvoorbeeld de media en politiek (gemiddeld lager dan een 5).
Beweringen dat vertrouwen in de wetenschap erodeert, staan haaks op resultaten van verschillende onderzoeken. Weliswaar bestaan er sinds Trump ‘alternatieve feiten’ maar „dat wetenschap ook maar een mening is” wordt door weinigen gedeeld. Wetenschap heeft juist aan glans gewonnen gezien de interesse voor wetenschappelijke doorbraken. Linkse of rechtse doorbraken bestaan niet, ook al suggereert een motie van Duisenberg en Straus (VVD) dat wetenschappers een ‘linkse kliek’ vormen (NRC, 9/2).
In een NRC-bijdrage (1/2) stelt professor Gabriël van den Brink de volgende, tweeledige vraag: „waarom het vertrouwen in de wetenschap zo erodeert en wat we daaraan kunnen doen?” Volgens hem is het een uitgemaakte zaak dat het vertrouwen in de wetenschap (sterk) erodeert of afneemt – maar is dat werkelijk zo?


Verliezen burgers heden ten dage massaal hun vertrouwen in wetenschap en/of de producten die deze voortbrengt, zoals gps, pacemakers en therapieën? De snelle stijging in de consumptie van deze vernieuwingen zegt in ieder geval iets over het verlangen of de behoefte ernaar. En wat te denken van de populariteit van wetenschappelijke zenders en programma’s op tv zoals National Geographic, Het KlokhuisDe kennis van nu en Tegenlicht.
Wat zeggen de feiten? Het zogeheten LISS panel (Longitudinal Internet tudies for the Social Sciences) dat bestaat uit een omvangrijke aselecte steekproef onder de Nederlandse bevolking, geeft een duidelijk antwoord. In dit panel, uitgevoerd door CentERdata, wordt vanaf 2007 jaarlijks uitgebreid gevraagd naar het vertrouwen in de wetenschap en in diverse andere organisaties, zoals politici, media, gezondheidszorg en rechtssysteem (minimale score 0, maximale score 10), naast een reeks andere onderwerpen.


De antwoorden van bijna 2.000 respondenten die vanaf 2007 aan acht metingen hebben deelgenomen, die goed vergelijkbaar zijn met de antwoorden van alle deelnemers per jaar, tonen het volgende. Vanaf 2007 is de gemiddelde score op „vertrouwen in de wetenschap” een 7. Laag-, midden- en hoogopgeleiden wijken, ofschoon gering, onderling daarin wat af. Deze wetenschappelijke gegevens, die overigens vrij toegankelijk zijn voor wetenschappelijk en beleidsmatig onderzoek, ondersteunen de stelling van Van den Brink in ieder geval niet.
Het vertrouwen in de wetenschap in Nederland blijkt de afgelopen bijna tien jaar behoorlijk stabiel te zijn en een stuk hoger dan het vertrouwen in bijvoorbeeld politici (gemiddelde 4,8) en de media (gemiddelde cijfer 4,9). Het gemiddelde cijfer voor vertrouwen in de wetenschap ligt een fractie hoger dan hetzelfde cijfer voor de gezondheidszorg (gemiddeld 6,6).
Als verklaring voert Van den Brink de overvloed aan informatie op het net aan: „Nu is er voor elke opinie een aantal ‘bewijzen’ op het net te vinden.” Geldt dit ook voor dit (alternatieve) feit? Een zoektocht op het net geeft inderdaad snel een hit, maar een hit die de stellige uitspraak juist ontkent. Het betreft een eerder en kortdurende studie van het Rathenau Instituut (2015) dat op basis van empirisch onderzoek in 2012 en 2015 concludeerde: „Het vertrouwen in de wetenschap in Nederland is anno 2015 onverminderd hoog.” Deze uitkomsten sluiten goed aan bij ons beeld over de afgelopen tien jaar. Dat wetenschapsfraude voorkomt doet daar in essentie niets aan af: de ophef is telkens groot juist omdat het niet wordt geaccepteerd en juist omdat mensen op wetenschap willen vertrouwen.
Of mensen de wetenschap beschouwen „als een linkse kliek” is evenzeer de vraag. Als dat waar zou zijn, dan is te verwachten dat mensen, naarmate zij zichzelf als meer rechts beschouwen, minder vertrouwen in de wetenschap hebben. In het LISS-panel worden de politieke voorkeuren en overtuigingen eveneens uitgebreid onderzocht. Uit analyse van deze gegevens blijkt echter dat het vertrouwen niet samenhangt met de mate waarin mensen zich als links of rechts beschouwen. Dat stemt overeen met bevinding dat naarmate men meer sympathie voelt voor een grote politieke partij, of dat nu VVD, CDA, D66 of PvdA betreft, men wat eerder vertrouwen in de wetenschap, maar ook in de zorg of media heeft. Voor de PVV gelden deze verbanden niet. Dit alles roept de vraag op waarom deze debatten, met inachtneming van wat bekend is, plaatsvinden. Is het dat status meer wordt ontleend aan bezit en geld dan aan ideeën? Is het de opkomst van het populisme of de geopperde toenemende minachting voor de intellectuele elite?


Of is hier sprake van een nieuwe mediahype en wordt vanuit de wetenschap wat slap gereageerd en geven wetenschappers te gemakkelijk aan deze tendens toe? Wanneer wetenschappers de eerlijke feiten laten spreken, ontstaat een ander beeld. De wetenschap vormt hier en elders nog steeds een ongelofelijke rijke bron van inspirerende ideeën en vernieuwende toepassingen. Hiervoor bestaat geen alternatief, net zomin als voor de debatten die onlosmakelijk onderdeel vormen van de wetenschap.

 is hoogleraar victimologie, Intervict, Tilburg University.  Ruud Muffels is hoogleraar labour market and social security/directeur Reflect, Tilburg University.

bron: NRC, Opinie, dinsdag 14 februari 2017

 

Overstappen naar een andere zorgverzekeraar


In november en december 2017 ontvingen veel panelleden drie keer een e-mail van het LISS panel met een boodschap over Zorg en Gezondheid. Dit was onderdeel van een onderzoek dat uitgevoerd werd voor het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

 

Wat werd er onderzocht?

In november en december 2017 ontvingen veel panelleden drie keer een e-mail van het LISS panel met een boodschap over Zorg en Gezondheid. Dit was onderdeel van een onderzoek dat uitgevoerd werd voor het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

 

Wat werd er onderzocht?

Iedereen heeft jaarlijks de mogelijkheid om over te stappen naar een andere zorgverzekeraar. Veel consumenten doen dat niet. Zij blijven ieder jaar bij dezelfde zorgverzekeraar zonder dat ze daar bewust voor kiezen. CentERdata onderzocht verschillende manieren om consumenten te helpen een bewustere keuze te maken voor het blijven bij dezelfde zorgverzekeraar óf overstappen naar een beter passende zorgverzekeraar.

 

Hoe werd dit onderzocht?

Sommige panelleden kregen een e-mail met een filmpje te zien waarin werd uitgelegd hoe gemakkelijk het is om over te stappen naar een andere zorgverzekeraar. Andere panelleden kregen een herinnering aan de deadline voor overstappen (vóór 31 december). Weer andere panelleden kregen het filmpje én de herinnering te zien, en een laatste groep kreeg een korte uitleg over de zorgverzekering.

 

Wat zijn de resultaten?

Uit de resultaten blijkt dat vooral het filmpje waarin werd uitgelegd hoe gemakkelijk het is om over te stappen positieve effecten heeft. Consumenten die het filmpje zagen zijn iets vaker overgestapt van zorgverzekeraar of vaker bewust bij dezelfde zorgverzekeraar gebleven. Ook hebben deze consumenten vaker naar het aanbod van andere zorgverzekeraars gekeken. Misschien komt dit doordat hun kijk veranderde. Zij zagen het als minder gedoe om over te stappen en hadden duidelijker de deadline voor ogen dan consumenten in de andere genoemde groepen.

 

CentERdata heeft het ministerie aanbevolen om in de najaarscampagne een filmpje te gebruiken met uitleg over hoe gemakkelijk het is om over te stappen.

Psychische gezondheid studenten redelijk stabiel


Op basis van een analyse van data verzameld in het LISS panel kan worden geconcludeerd dat de psychische gezondheid van studenten stabiel is. Er is geen reden om aan te nemen dat de psychische klachten toenemen en studenten zijn wat betreft enkele gezondheidskenmerken niet slechter af dan niet-studenten.

Onderzoekers Peter van der Velden, Marcel Das en Ruud Muffels schreven hierover een opiniebijdrage in NRC. Deze bijdrage is op 26 april 2018 gepubliceerd.

Het Verkiezingsonderzoek 2017


Vanaf eind januari tot half maart 2017 werden wekelijks aan ongeveer de helft van alle panelleden van het LISS panel vragen over de Tweede Kamerverkiezingen van 15 maart 2017 voorgelegd.

Vanaf eind januari tot half maart 2017 werden wekelijks aan ongeveer de helft van alle panelleden van het LISS panel vragen over de Tweede Kamerverkiezingen van 15 maart 2017 voorgelegd. Elke week werd aan de panelleden gevraagd of ze van plan waren te gaan stemmen en, zo ja, waarop. Daarnaast kregen ze een paar vragen die van week tot week anders waren, bijvoorbeeld over welke onderwerpen (inkomen, pensioen, immigratie, gezondheidszorg etc.) ze van belang achtten; over het stemgedrag van hun vrienden en kennissen; of over het vertrouwen in de lijsttrekkers van de grootste partijen. In de week na de verkiezingen is aan alle panelleden van het LISS panel gevraagd wat ze echt hebben gestemd.

Twee verschillen tussen de LISS peiling en andere peilingen

Er zijn twee belangrijke verschillen tussen de LISS peiling en de andere grote politieke peilingen in Nederland. Ten eerste werd in andere peilingen gevraagd naar de partij waarop iemand denkt te gaan stemmen, zonder er rekening mee te houden dat veel mensen dat nog niet weten. In het LISS panel werd gevraagd naar kansen om op elke partij te stemmen. Letterlijk was de vraag:

Kunt u voor elke partij aangeven hoe groot de kans is dat u daarop bij de Tweede Kamerverkiezingen op 15 maart gaat stemmen?

In totaal moeten de kansen optellen tot 100%.

Ten tweede is van de meeste peilingen niet zo duidelijk hoe de steekproef is getrokken. Maar het LISS panel is gebaseerd op een volkomen willekeurige steekproef van adressen getrokken door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Dit maakt het mogelijk om op een wetenschappelijk verdedigbare manier aanpassingen te doen voor het feit dat niet iedereen die uitgenodigd is voor het LISS panel er ook daadwerkelijk aan meedoet. Dit verbetert de representativiteit van de resultaten.

Presidentsverkiezing in de Verenigde Staten

Peilingen met deze zelfde twee kenmerken zijn eerder uitgevoerd voor de presidentsverkiezingen van 2012 en 2016 in de Verenigde Staten, onder leiding van Arie Kapteyn (University of Southern California).  In 2012 was deze peiling zeer succesvol en voorspelde de uitslag van de presidentsverkiezingen beter dan alle andere grote peilingen. In 2016 was de peiling van Kapteyn de enige die voorspelde dat Trump een meerderheid van de stemmen zou krijgen. Dit was voor de universiteit in Tilburg een reden om dezelfde methode ook voor de Nederlandse verkiezingen toe te passen en te kijken hoe goed de methode werkt voor een totaal ander stelsel (met meer dan twee partijen) dan in de VS.

Media aandacht en de Peilingwijzer

In het begin trok het onderzoek al meteen veel aandacht van de media. Al heel snel werd de LISS peiling ook opgenomen in de Peilingwijzer die de belangrijkste peilingen in Nederland combineert tot één nieuwe peiling. Een van de redenen voor de aandacht van de pers was dat de LISS peiling toen al voorspelde dat de VVD de grootste partij zou worden. De meeste andere peilingen gaven toen nog aan dat de PVV de grootste kans daarop maakte. Dit leidde zelfs tot tweets waarin werd gesuggereerd dat het LISS onderzoek wel door de VVD zou zijn betaald. Achteraf beschouwd zat de LISS peiling in de beginperiode (eind januari) dus dichter bij de uiteindelijke uitslag dan de andere peilingen.

Peilingen en de echte uitslag

Iets soortgelijks zien we ook in onderstaande figuur. Hierin wordt aangegeven in hoeverre de zes belangrijkste peilingen en de combinatie daarvan (PW = Peilingwijzer) afwijken van de echte uitslag. De horizontale as geeft de tijd aan (van half januari tot aan de verkiezingen half maart 2017). Langs de verticale as staat de afwijking in zetelaantal, gemiddeld over alle partijen die in de Tweede Kamer zijn gekomen. Voor de Peilingwijzer was deze afwijking eind januari 2,6 zetels; gemiddeld zat de Peilingwijzer dus per partij 2,6 zetels te hoog of te laag (de zwarte lijn). De LISS peiling deed het toen met een gemiddelde afwijking van bijna 2,5 zetels (de donkergrijze lijn) flink wat beter dan de andere bureaus (de lichtgrijze lijnen). Maar in de aanloop naar de verkiezingen zijn de peilingen van de andere bureaus sterker veranderd dan de LISS peiling, en uiteindelijk zijn zij ook dichter bij de uitslag uitgekomen. Voor de Peilingwijzer geldt dit in nóg sterkere mate. De laatste peiling gaf voor de Peilingwijzer een gemiddelde afwijking van 1,25 zetels, terwijl de afwijking voor de LISS peiling bleef steken op ruim 2 zetels. Op de vraag of de LISS peiling het beter of slechter heeft gedaan dan andere peilingen is het antwoord dus niet eenduidig: beter als we naar de langere termijnvoorspelling kijken, slechter als we naar de voorspelling vlak vóór de verkiezingen kijken.

Laatste peiling

De afwijking tussen de laatste voorspelling en de uitslag kreeg natuurlijk veel meer aandacht dan de afwijking ten opzicht van eerdere voorspellingen. Natuurlijk werd ook gekeken naar de reden waarom de LISS peiling het wat dit betreft relatief slecht heeft gedaan. Een van de redenen is dat in de LISS peiling steeds alle antwoorden van de laatste zeven dagen zijn meegenomen in plaats van alleen de antwoorden van de allerlaatste dag of de allerlaatste twee of drie dagen. Dit betekent dat de ontwikkelingen in de laatste dagen voor de verkiezingen maar voor een klein deel in de LISS peiling tot uitdrukking kwamen. Daardoor hebben we de invloed van de diplomatieke ruzie met Turkije onderschat die in de dagen voor de verkiezingen heeft geleid tot een flinke toename van stemmen voor de VVD van premier Rutte. Die toename kwam bij de LISS peiling maar gedeeltelijk tot uitdrukking. Als in plaats van zeven dagen terug maar tot drie dagen voor 15 maart was gekeken, zou de gemiddelde zetelafwijking voor de LISS peiling niet op 2,5 zijn uitgekomen maar op 1,6, en zou de LISS peiling het in vergelijking met andere bureaus niet beter maar ook niet slechter hebben gedaan. Dit is in elk geval een van de lessen voor de volgende keer: de ontwikkelingen in de laatste dagen voor de verkiezingen zijn essentieel voor de laatste peiling, en het is dus belangrijk om die zo goed mogelijk mee te nemen.

Meer dan alleen de uitslag voorspellen

Met alle verzamelde gegevens kunnen we veel meer dan alleen peilingen van de uitslag doen. Ten eerste kunnen we zien hoe de politieke voorkeur verschilt tussen mannen en vrouwen, jongeren en ouderen, mensen met een hoog of een laag inkomen etc. Zo blijkt bijvoorbeeld dat de PVV veel minder populair is onder vrouwen dan onder mannen en dat GroenLinks en D66 relatief het meest populair zijn onder hoogopgeleiden. Ook zien we, zoals u misschien al zou verwachten, dat mensen die immigratie een belangrijk thema vinden vaker PVV stemmen, en dat mensen die het thema ontwikkelingshulp belangrijk vinden juist weinig VVD of PVV stemmen, maar vaker kiezen voor GroenLinks of de Christen Unie.

Zwevende kiezers

Het vragen naar kansen geeft inzicht in het verschijnsel van de zwevende kiezer. Onderstaande grafiek laat dit zien. Voor de eerste week (eind januari 2017) en de zevende week (begin maart 2017) geeft de grafiek aan hoe de positieve kansen verdeeld zijn voor elke partij. Als een respondent kans 0 rapporteert om op een bepaalde partij te stemmen dan is deze kans dus niet meegenomen. Uit de grafiek blijkt dat kansen van 100% of dicht bij de 100% vaker voorkomen in week 7 dan in week 1. Veel mensen die in week 1 nog niet zeker weten op welke partij ze gaan stemmen, weten in week 7 wel (bijna) zeker op welke partij ze gaan stemmen. De PVV heeft de minste zwevende kiezers: degenen die overwegen PVV te stemmen, zijn daarover het minst onzeker. Anderzijds waren er zowel in week 1 als in week 7 juist veel mensen die overwegen om D66 of GroenLinks te stemmen maar daar nog niet zeker van zijn. En zelfs kort voor de verkiezingen zijn er nog steeds veel mensen die twijfelen en positieve kansen toekennen aan (ten minste) twee verschillende partijen.

 

 

Uw gevoelens over geld


Optimisme, boosheid, jaloezie, trots of blijheid... Een mens ervaart dagelijks allerlei emoties. Emoties wisselen elkaar af, maar zijn er soms ook tegelijkertijd. Soms zijn ze heel sterk. Andere keren komen ze in wat afgezwakte vorm naar boven. Economen hebben lang weinig van emoties willen weten, maar de laatste jaren is steeds duidelijker geworden dat emoties wel degelijk interessant zijn en een functie hebben voor economisch beslissingsgedrag.

Emoties informeren en motiveren ons. Een paar voorbeelden. Als consumenten boos zijn op bankiers, dan proberen ze hun geld ergens anders onder te brengen. Consumenten die spijt hebben van een aankoop zullen de volgende keer iets anders aanschaffen. Consumenten die droevig zijn over hun situatie proberen deze te verbeteren. Om economisch gedrag goed te begrijpen, is het dus belangrijk om meer over emoties te weten.


Wat zijn de resultaten?

Vanaf juni 2009 is binnen het LISS panel een onderzoeksproject gestart om de emoties van consumenten te meten. Op basis van de emoties die mensen ervaren, kunnen we de zogenoemde Ecomotion-index samenstellen. Deze index laat zien dat Nederlanders meer positieve dan negatieve gevoelens ervaren als ze denken aan hun financiële toekomst.

In het begin van het onderzoek is de index ieder kwartaal gestegen. Tot begin 2011 kregen Nederlanders een steeds positiever gevoel over hun financiële toekomst. Daarna was de impact van de crisis duidelijk merkbaar. Van 2011 tot 2013 zagen Nederlanders hun financiële toekomst minder positief in en waren zij pessimistischer. Vanaf 2014 wanneer Nederland weer op klimt uit de crisis is er ook weer een stijgende lijn in de Ecomotion-index te zien. Nederlanders kregen vanaf 2014 weer een steeds positiever gevoel over hun financiële toekomst. De index laat zien dat Nederlanders in tijden van crisis pessimistischer zijn. Hoe optimistisch of pessimistisch consumenten zijn heeft invloed op hoeveel zij willen besteden.

Er bestaan wel aanzienlijke verschillen tussen Nederlanders. Dit hangt deels samen met leeftijd en opleidingsniveau. Jongeren tussen 15 en 24 en tussen 25 en 34 jaar ervaren de meest positieve en minst negatieve gevoelens over hun toekomst. Opvallend is dat de leeftijdsgroep tussen 45 en 54 jaar het laagst scoort. Zij hebben relatief de meest negatieve gevoelens van alle leeftijdsgroepen. Hoger opgeleiden ervaren de meeste positieve en minst negatieve gevoelens over hun toekomst. 

Waarderen van kunst


Hoe vormen mensen zich een mening over kunst, zelfs als het gaat over werken die ze niet kennen. Uitgangspunt was dat kunstwerken over het algemeen niet op zichzelf worden vertoond, maar binnen een specifieke context. Zo hangen schilderijen in musea of worden ze vergezeld van tekst en uitleg over de kunstenaar, de inhoud, de stijl enzovoort. We onderzochten welke rol dit soort externe informatiebronnen spelen bij de oordeelsvorming van de toeschouwer.

Hoe vormen mensen zich een mening over kunst, zelfs als het gaat over werken die ze niet kennen. Uitgangspunt was dat kunstwerken over het algemeen niet op zichzelf worden vertoond, maar binnen een specifieke context. Zo hangen schilderijen in musea of worden ze vergezeld van tekst en uitleg over de kunstenaar, de inhoud, de stijl enzovoort. We onderzochten welke rol dit soort externe informatiebronnen spelen bij de oordeelsvorming van de toeschouwer.

We vroegen de panelleden om hun mening te geven over een collectie van in totaal 20 schilderijen, waarvan sommige amateurwerken en andere van de hand van professionele kunstenaars. Afhankelijk van de 'groep' waarin de panelleden voorafgaand waren ingedeeld, kregen ze een andere begeleidende uitleg. De ene keer werd vermeld dat het werk van een professionele kunstenaar was, de andere keer dat het van een amateur was. In nog andere gevallen werd de betekenis van het werk gemeld met gebruik van artistieke vaktaal, of door eenvoudige bewoordingen verteld wat er te zien was.

Wanneer de werken werden toegeschreven aan een befaamde kunstenaar of er werd inhoudelijke duiding gegeven, viel de waardering aanzienlijk hoger uit. Dit gebeurde bij zowel de werken die door de amateur als die door de professionele kunstenaar waren gemaakt.

Uit de resultaten blijkt dus duidelijk dat zaken die zelf geen deel uitmaken van een kunstwerk, meespelen in de waardering. Dat was overigens niet onverwacht; de manier waarop een werk wordt aangeboden maakt immers deel uit van de 'esthetische ervaring'. Mensen leggen verbanden tussen kunstwerken en de verschillende elementen die voorkomen in de context waarin ze gepresenteerd worden, zoals vaktaal of de vermelding dat het een beroemde kunstenaar is. Als men die elementen vervolgens waarneemt bij nog onbekende werken, worden ze een signaal dat men te maken heeft met een kunstwerk en bepalen ze zodoende hoe men ernaar kijkt.

Bovendien zagen we dat het effect van reputatie en duiding sterker wordt naarmate iemands vertrouwdheid met kunst toeneemt. Dit is begrijpelijk. Hoe meer men met kunst is geconfronteerd, des te meer herkent men de signalen die vertellen wat als kunst kan worden beschouwd. Deze vertrouwdheid kan dan op haar beurt worden toegepast in verdere ervaringen. In die zin vertelt dit onderzoek ons iets over hoe dat wat je ervaart bepaald wordt door de manier waarop we hebben leren kijken.

 

Internetgebruik en negatieve levensgebeurtenissen


Zoeken mensen hulp op het internet als ze te maken krijgen met negatieve levensgebeurtenissen, zoals echtscheiding, baanverlies, of problemen met de gezondheid? En zo ja, wat doen ze daar dan precies? En helpt het?

Zoeken mensen hulp op het internet als ze te maken krijgen met negatieve levensgebeurtenissen, zoals echtscheiding, baanverlies, of problemen met de gezondheid? En zo ja, wat doen ze daar dan precies? En helpt het?

Dit soort vragen waren de aanleiding om een vragenlijst af te nemen onder de leden van het LISS panel naar online coping, oftewel het gebruik van het internet als hulpbron. Er werd mensen gevraagd of zij de afgelopen drie jaar negatieve levensgebeurtenissen hadden meegemaakt en bij wie dat zo was werd er gevraagd naar allerlei dingen die mensen op het internet kunnen doen in reactie op die problemen. De meest voorkomende manier om het internet in te zetten was het zoeken van afleiding: 42% van de respondenten zei wel eens te internetten om daarmee hun problemen even te vergeten. Verder zei 32% het internet te gebruiken om concrete oplossingen te zoeken en zo’n 15% gaf aan door middel van het internet steun en raad van anderen te hebben gekregen. Deze hulpbronnen werden op verschillende manieren gevonden: door te googlen, door deel te nemen aan online support groepen en sociale netwerksites, en in het geval van het zoeken van afleiding ook door online gamen.

De onderzoekers zijn ook nagegaan in welke mate mensen exclusief het internet gebruiken als hulpbron of dat men het juist combineert met het gelijktijdig zoeken van offline hulp. Dat laatste komt duidelijk het vaakst voor: online hulpbronnen mobiliseren zonder offline hulp inschakelen bleek zeer uitzonderlijk. Toch is voor sommige mensen het relatieve belang van het internet als hulpbron groter dan voor anderen.  Dit is zo voor mensen met beperkte (offline) sociale interacties en relaties, zoals mensen met weinig sociaal vertrouwen, mensen met een negatief zelfbeeld, eenzame mensen en mensen met fysieke beperkingen.

Het laatste deel van het onderzoek is om na te gaan wat de effecten zijn van het internet als hulpbron: helpt het, doet het niets, of werkt het zelfs averechts? De onderzoekers zijn nog bezig met deze analyses, maar de voorlopige resultaten zijn niet heel positief. Zo blijken mensen die veel online hulpbronnen mobiliseren minder tevreden te zijn met hun leven en een slechtere mentale gezondheid te hebben. Een belangrijke volgende stap in het onderzoek zal zijn om na te gaan of dit vooral een oorzaak of een gevolg is van het internetgebruik.

 

 

Wanneer en hoe nemen mensen wraak?


Wanneer mensen wraak nemen doen zijn dit vaak op een manier die voor de ander grote gevolgen kan hebben, zoals reputatieschade. In extreme gevallen kan een wraakmotief zelfs tot verkrachting of moord leiden. Het is dus belangrijk te achterhalen onder welke omstandigheden en op welke manier mensen wraak nemen.

Wanneer mensen wraak nemen doen zijn dit vaak op een manier die voor de ander grote gevolgen kan hebben, zoals reputatieschade. In extreme gevallen kan een wraakmotief zelfs tot verkrachting of moord leiden. Het is dus belangrijk te achterhalen onder welke omstandigheden en op welke manier mensen wraak nemen.

We weten tegenwoordig al vrij veel over welke mensen relatief snel geneigd zijn om wraak te nemen. Dit zijn bijvoorbeeld mensen die hoog scoren of narcisme of die makkelijk boos worden. Mannen nemen gemiddeld gezien ook vaker wraak dan vrouwen, en jonge mensen vaker dan oudere mensen. Maar vreemd genoeg weten we, ondanks de soms heftige gevolgen van wraak, nog maar weinig over de omstandigheden waaronder mensen wraak nemen. Nemen mensen bijvoorbeeld eerder wraak wanneer wat hen is aangedaan vrij ernstig is? En zijn er bepaalde situaties (bv. vals beschuldigd worden of diefstal) die eerder tot wraak leiden dan andere situaties?

In een eerste onderzoek vergeleken we de situationele kenmerken van mensen die wraak hadden genomen met de situationale kenmerken van mensen die wel wraakgevoelens hadden, maar geen wraak hadden genomen. uit het onderzoek kwam naar voren dat bepaalde situationele kenmerken, waarvan je misschien intuïtief zou zeggen dat deze de beslissing over wraak te nemen beïnvloeden, dit niet leken te doen. Zo was het niet waarschijnlijker dat er wraak genomen zou worden wanneer de aanleiding relatief ernstig was of er veel mensen bij aanwezig waren. Wraak was waarschijnlijker 1) als de ander een vriend of een kennis was, 2) na aanleidingen die te maken hadden met buitengesloten of afgewezen worden, en 3) als er een mogelijkheid was om wraak te nemen.

Hoe

Een tweede onderzoek richtte zich alleen op de groep van wraaknemers en bekeek welke kenmerken een typische wraakactie heeft. Dus als mensen eenmaal wraak nemen, hoe doen zij dit dan? Uit dit onderzoek kwamen verschillende wraakkenmerken naar voren.

Tijdsduur

Wraakacties lieten vaak lang op zich wachten. De helft van de wraaknemers wachtte zelfs een week of langer (soms zelfs jaren!) voordat zij wraak nemen. Dit kwam soms omdat wraak op een eerderm oment niet mogelijk was, maar vooral omdat wraakacties vaak gepland werden of het juiste moment werd afgewacht om wraak te nemen.

Ongelijk

Wraakacties vonden vaak plaats in een ander domein dan de aanleiding (dus als de aanleiding reputatieschade was, werd bijvoorbeeld wraak genomen door de persoon buiten te sluiten, en niet door ook voor reputatieschade te zorgen).  Ook waren wraakacties lang niet altijd even ernstig als de aanleiding voor wraak. Wraaknemers vonden dat wat zij hadden gedaan minder ernstig was dan wat hen was aangedaan (en grappig genoeg toonde een vervolgonderzoek aan dat degenen die het doelwit ware van wraak dit juist andersom vonden).

Tevreden

Na de wraakactie voelden wraaknemers zich vaak redelijk tevreden. Dit komt overeen met het spreekwoord "wraak is zoet".

Kortom, wees voorzichtig met iemand buitensluiten of afwijzen, want dit gedrag lokt relatief vaak wraak uit. En ook al verwacht je het al lang niet meer, deze wraakactie kan zelfs jaren later nog plaatsvinden...!

Vaders net zo dol op hun kinderen als moeders


Er wordt wel eens gezegd dat moeders meer bezorgd zijn over de gezondheid en het geluk van hun kinderen dan vaders. Dat zou dan moeten blijken uit het feit dat moeders meer tijd besteden aan hun kinderen en dat ze misschien ook wel mooiere kleren voor de kinderen kopen.

We vroegen panelleden naar hun tijdsbestedings- en uitgavepatroon. Zo proberen we te achterhalen hoeveel tijd de panelleden in een week besteden aan betaald werk, huishoudelijke taken en activiteiten met de kinderen.
 
Door naar uitgaven te vragen krijgen we meer inzicht in hoeveel een gezin gemiddeld per maand uitgeeft aan de hypotheek of huur, gas en elektriciteit, kinderopvang en uitstapjes met het hele gezin. En naar hoeveel men gemiddeld per maand aan zichzelf uitgeeft, bijvoorbeeld aan kleding, verzorgingsproducten, bijscholing of horeca-uitgaven buiten het gezinsverband.
 
Bestedingspatronen: geld...
Uit het onderzoek blijkt onder andere dat bij ouders die beiden buitenshuis werken, mannen gemiddeld 311 euro uitgeven aan persoonlijke consumptie. Bij vrouwen is dat wat lager, namelijk gemiddeld 303 euro. De gemiddelde gezinsuitgaven bedragen gemiddeld 1828 euro per maand. De gemiddelde maandelijkse uitgaven aan kinderen zijn 479 euro.
 
...en tijd
In gezinnen besteden mannen gemiddeld 48 uur van hun week aan betaald werk en woon-werkverkeer. Vrouwen besteden hieraan gemiddeld 29 uur. Verder blijkt uit het onderzoek dat vrouwen 15 uur per week aan hun kinderen besteden en 21 uur aan huishoudelijke taken. Bij mannen is dat respectievelijk slechts 9 en 12 uur.
 
Verder...
Uit de resultaten van dit onderzoek blijkt dat er géén bewijs is voor de bewering dat vrouwen het belangrijker vinden dan mannen dat hun kinderen gelukkig en gezond zijn.

Snacken om iets te vieren


Waarom eten mensen ongezonde tussendoortjes? Het is lekker, maar ook ongezond en niet goed voor de lijn. Wat kunnen we doen om mensen te helpen met het minderen van snoepen en snacken? Daarvoor moeten we eerst weten waarom mensen snoepen.

Veel mensen eten ongezonde tussendoortjes, zoals een rol koekjes, een zak chips, of een patatje tussendoor bij de friettent. Het eten van ongezonde tussendoortjes is niet zo goed voor de gezondheid of voor de ‘lijn’. Toch snoepen en snacken de meeste mensen regelmatig. Onderzoekers werken aan strategieën die mensen helpen om te minderen met snoepen en snacken. Om zo’n strategie te laten werken, moeten we eerst weten waaróm mensen snoepen. Daarom hebben wij in ons onderzoek gekeken wat de belangrijkste redenen zijn die mensen hebben om ongezonde tussendoortjes te eten.

Waarom eten mensen ongezonde snacks? Het is natuurlijk lekker. Maar er zijn ook andere redenen. Er spelen ook psychologische factoren mee in ons snackgedrag. Sommige mensen grijpen zonder erbij na te denken bijvoorbeeld automatisch naar een zak chips als ze televisie kijken. Anderen hebben het gevoel dat ze onder druk staan van de mensen om hen heen (‘proef er dan ééntje!’). Om meer inzicht te krijgen in deze redenen, hebben we ruim 1000 mensen gevraagd: ‘Als u een ongezond tussendoortje eet, hoe vaak is dat omdat…’. Deelnemers konden antwoorden in welke mate die reden een aanleiding is om te snacken, of ze konden zelf een reden opgeven.

Uit het onderzoek kwamen zes thema’s naar boven waar de verschillende redenen om te snoepen en snacken onder vallen:

  • omgaan met negatieve emoties (zoals verdrietig zijn of stress ervaren),
  • door sociale druk (iemand anders een plezier te doen),
  • als beloning (omdat je zo hard gewerkt hebt, bijvoorbeeld),
  • vanwege honger,
  • omdat het past bij de situatie (bij het tv kijken, bijvoorbeeld), en
  • het vieren van een speciale gebeurtenis (zoals een verjaardag). 

En wat blijkt? Negatieve redenen zoals omgaan met emoties of sociale druk blijken relatief weinig invloed te hebben op ons snackgedrag. Het waren juist de positieve dingen waardoor we het meest gaan snacken: om iets te vieren, zoals een feest, verjaardag, of het samenzijn met vrienden. Mensen eten dus ongezonde tussendoortjes voornamelijk om samen een speciale gebeurtenis of gelegenheid te vieren.

In toekomstig onderzoek kan worden aangesloten bij deze zes thema’s. Daarbij is het belangrijk om extra aandacht te schenken aan het snacken op feestjes en speciale gelegenheden. Af en toe een handje chips eten is natuurlijk lekker. Het wordt alleen vervelend als mensen willen minderen met snoepen, maar dat niet lukt. Door nieuwe strategieën te ontwikkelen die goed aansluiten bij de redenen waarom mensen snacken, kunnen mensen geholpen worden hun snackgedrag te verminderen.