Sociaal en Cultureel Rapport (oktober 2018)


Sinds 1974 publiceert het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) het 'Sociaal en Cultureel Rapport'. Elke editie heeft een eigen centraal thema. In 2018 is het doel om een beeld te geven van de Nederlandse identiteit: wat zijn de meest typerende kenmerken voor Nederland en welke gevoelens van verbondenheid heeft men met Nederland. Voor de editie van dit jaar is de mening gevraagd van panelleden uit het LISS panel. Ruim 5000 panelleden hebben aan dit onderzoek meegedaan tussen juni en september.
Sinds 1974 publiceert het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) het 'Sociaal en Cultureel Rapport'. Elke editie heeft een eigen centraal thema. In 2018 is het doel om een beeld te geven van de Nederlandse identiteit: wat zijn de meest typerende kenmerken voor Nederland en welke gevoelens van verbondenheid heeft men met Nederland. Voor de editie van dit jaar is de mening gevraagd van panelleden uit het LISS panel. Ruim 5000 panelleden hebben aan dit onderzoek meegedaan tussen juni en september. Vanwege de omvang van het onderzoek is de vragenlijst in twee delen aan het panel voorgelegd. Voor het einde van het jaar verschijnt deze editie van dit tweejaarlijkse rapport.  Wilt u meer weten over het onderzoek en straks het rapport bekijken? Gaat u dan naar de website van het SCP.

Media-aandacht voor onderzoek slachtofferhulp (september 2018)


Mede naar aanleiding van het tragische bakfietsongeluk op 20 september in Oss, besteedde actualiteitenrubriek Nieuwsuur die avond aandacht aan het onderzoek Victims in Modern Society van het Fonds Slachtofferhulp. Ook dagblad Trouw schreef over het die dag gepresenteerde rapport van onderzoeker Peter van der Velden, die deze studie vanuit CentERdata heeft verricht.

Mede naar aanleiding van het tragische bakfietsongeluk op 20 september in Oss, besteedde actualiteitenrubriek Nieuwsuur die avond aandacht aan het onderzoek Victims in Modern Society van het Fonds Slachtofferhulp. Ook dagblad Trouw schreef over het die dag gepresenteerde rapport van onderzoeker Peter van der Velden, die deze studie vanuit CentERdata heeft verricht.

Bij het televisieprogramma Nieuwsuur benadrukte Van der Velden hoe belangrijk de directe omgeving is bij een ontzettend ingrijpend ongeluk als dat in Oss. “De eerste periode doen mensen in de directe omgeving veel en zal er veel steun zijn. Maar na verloop van tijd ebt dat weg, terwijl ook juist dan alle steun en aandacht enorm nodig is.”

Trouw schrijft in algemene zin over het onderzoek dat het sociale vangnet van mensen met een niet-westerse achtergrond bij schokkende gebeurtenissen vaak tegenvalt. Dat staat haaks op hoe hulpverleners tegen deze groep aankijken, zo citeert Trouw Van der Velden in het artikel. “Psychologen gaan bij deze groep juist uit van méér steun van familie.” De bevindingen vormen dan ook een belangrijke les voor hulpverleners, vindt Van der Velden. “Denk niet dat de omgeving wel voldoende steun zal geven als getroffenen uit een cultuur ­komen waarin de familie centraal staat.”

Van der Velden voerde het onderzoek uit met behulp van gegevens die in het LISS panel zijn verzameld. Het onderzoek richtte zich onder meer op sociale steun, erkenning en problemen bij slachtoffers van schokkende gebeurtenissen, en bij niet-slachtoffers. Het is de eerste keer dat in Nederland op grote schaal onderzoek wordt gedaan naar de omvang en gevolgen van slachtofferschap, de professionele hulpbehoefte, en de behoefte aan steun en erkenning uit de directe omgeving.

Een samenvatting én het volledige rapport zijn te downloaden via de site van Fonds Slachtofferhulp.

We zijn niet zo actief als dat we denken! - Vergelijkend onderzoek Verenigde Staten, Engeland en Nederland (april 2018)


Een  internationaal onderzoek dat is uitgevoerd in de VS, in Engeland en in Nederland (in het LISS panel) geeft aan dat mensen, ongeacht hun leeftijd en waar ze wonen, slecht inschatten hoe fysiek actief ze eigenlijk zijn.

Met behulp van een bewegingsmeter (een zogenoemde accelerometer) heeft een internationaal team van onderzoekers gekeken naar het verschil tussen hoe fysiek actief mensen zichzelf vinden en hoe fysiek actief ze daadwerkelijk zijn.

Een  internationaal onderzoek dat is uitgevoerd in de VS, in Engeland en in Nederland (in het LISS panel) geeft aan dat mensen, ongeacht hun leeftijd en waar ze wonen, slecht inschatten hoe fysiek actief ze eigenlijk zijn.

Met behulp van een bewegingsmeter (een zogenoemde accelerometer) heeft een internationaal team van onderzoekers gekeken naar het verschil tussen hoe fysiek actief mensen zichzelf vinden en hoe fysiek actief ze daadwerkelijk zijn.

Het onderzoek wijst uit dat niemand het bij het rechte eind heeft. De antwoorden van de Amerikaanse respondenten geven aan dat ze net zo actief zijn als de Nederlandse of Engelse respondenten. Oudere mensen denken dat ze net zo actief zijn als jongere mensen. Maar, in werkelijkheid zijn Amerikanen minder actief dan de Europeanen en zijn oudere mensen minder actief dan jongeren.

Betekent dat dan Amerikanen leugenaars zijn, of dat Nederlanders en Engelsen hun fysieke gesteldheid te laag inschatten? “Het betekent dat mensen in verschillende landen of van een verschillende leeftijd een andere interpretatie hebben bij dezelfde onderzoeksvragen”, aldus Arie Kapteyn, een van de hoofdonderzoekers uit de V.S.  Dit kan te maken hebben met culturele verschillen en verschillen in omgevingsfactoren. Amerikanen zijn bijvoorbeeld erg afhankelijk van hun auto, terwijl Nederlanders veel wandelen en hun fiets pakken om naar het werk te gaan of om boodschappen te doen.

Aan het onderzoek hebben 540 deelnemers uit de VS, 748 deelnemers uit Nederland en 254 deelnemers uit Engeland meegedaan. Mannen en vrouwen van 18 jaar en ouder is gevraagd hun fysieke activiteit op een 5-puntsschaal (van inactief tot heel actief) te beoordelen. Zij kregen ook een bewegingsmeter om hun pols, zodat de onderzoekers hun echte fysieke activiteit over een periode van zeven dagen konden meten.

Uit het onderzoek kwam naar voren dat Nederlanders en Engelsen zichzelf eerder in het midden van de schaal (‘matig actief’) plaatsten, terwijl de Amerikanen zichzelf juist aan de uiteinden van de schaal plaatsten (‘inactief’ of juist ‘zeer actief’). In het algemeen, gaven de deelnemers uit alle landen aan dat hun fysieke activiteit ‘matig’ of ‘niet bestaand’ was.

De bewegingsmeters gaven een ander beeld: Amerikanen zijn minder actief dan de Europeanen. Het percentage Amerikanen dat viel in de ‘niet actief’ categorie was bijna twee keer zo hoog als bij de Nederlandse deelnemers.

Leeftijdsgroepen

Een vergelijking van de bewegingsmeter data toont aan dat in alle drie de onderzochte landen mensen minder actief zijn naarmate ze ouder worden. Dit geldt echter in meerdere mate voor de VS: 60% van de oudere Amerikanen is inactief, in vergelijking met 42% van de oudere Nederlanders en 32% van de oudere Engelsen.

In alle drie de landen is de ongelijkheid tussen zelf ervaren en de echte activiteit het grootst bij de deelnemers die aangaven dat ze ‘zeer actief’ of ‘helemaal niet actief’ waren.

“Mensen in verschillende leeftijdsgroepen hebben gewoon een andere beeld bij wat het betekent om fysiek actief te zijn”, zegt Kapteyn. “Ze passen dat beeld aan naar hun omstandigheden, zoals hun leeftijd.”

Omdat fysieke activiteit een centrale rol speelt in een gezond leven, zijn nauwkeurige metingen belangrijk voor de wetenschap. Deze onderzoeksresultaten geven echter aan dat wetenschappers voorzichtig moeten zijn met hoe de data moeten worden geïnterpreteerd en moeten worden vergeleken met resultaten uit andere internationale studies met dezelfde (standaard) vragenlijst. Als je uitgaat van zelf gerapporteerde data, dan moet je er niet alleen op kunnen vertrouwen dat de deelnemers dezelfde interpretatie hebben van de onderzoeksvoorwaarden, maar ook dat ze zich precies herinneren welke fysieke activiteiten ze rapporteren.  

Bewegingsmeters zijn nu makkelijker verkrijgbaar en tegen niet al te hoge kosten, en daarom kunnen onderzoeken in de toekomst betrouwbaarder zijn.

Animatie

Het Dornsife College of Letters, Arts and Sciences van de University of Southern California waaraan een aantal van de Amerikaanse onderzoekers is verbonden, heeft een animatie gemaakt over dit onderzoek. 

Publicatie

Het onderzoek is dit jaar verschenen in een wetenschappelijk tijdschrift:

Arie Kapteyn, James Banks, James P. Smith, Andrew Steptoe, Arthur van Soest, Annemarie Koster, Saw Htay Wah (2018), “What they say and what they do: comparing physical activity across the USA, England and the Netherlands” , Journal of Epidemiology & Community Health, 72, 6, pp. 471-476.

 

 

 

Psychische gezondheid studenten redelijk stabiel (april 2018)


Op basis van een analyse van data verzameld in het LISS panel kan worden geconcludeerd dat de psychische gezondheid van studenten stabiel is. Er is geen reden om aan te nemen dat de psychische klachten toenemen en studenten zijn wat betreft enkele gezondheidskenmerken niet slechter af dan niet-studenten.

Onderzoekers Peter van der Velden, Marcel Das en Ruud Muffels schreven hierover een opiniebijdrage in NRC. Deze bijdrage is op 26 april 2018 gepubliceerd.

Overstappen naar een andere zorgverzekeraar (januari 2018)


In november en december 2017 ontvingen veel panelleden drie keer een e-mail van het LISS panel met een boodschap over Zorg en Gezondheid. Dit was onderdeel van een onderzoek dat uitgevoerd werd voor het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

 

Wat werd er onderzocht?

In november en december 2017 ontvingen veel panelleden drie keer een e-mail van het LISS panel met een boodschap over Zorg en Gezondheid. Dit was onderdeel van een onderzoek dat uitgevoerd werd voor het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

 

Wat werd er onderzocht?

Iedereen heeft jaarlijks de mogelijkheid om over te stappen naar een andere zorgverzekeraar. Veel consumenten doen dat niet. Zij blijven ieder jaar bij dezelfde zorgverzekeraar zonder dat ze daar bewust voor kiezen. CentERdata onderzocht verschillende manieren om consumenten te helpen een bewustere keuze te maken voor het blijven bij dezelfde zorgverzekeraar óf overstappen naar een beter passende zorgverzekeraar.

 

Hoe werd dit onderzocht?

Sommige panelleden kregen een e-mail met een filmpje te zien waarin werd uitgelegd hoe gemakkelijk het is om over te stappen naar een andere zorgverzekeraar. Andere panelleden kregen een herinnering aan de deadline voor overstappen (vóór 31 december). Weer andere panelleden kregen het filmpje én de herinnering te zien, en een laatste groep kreeg een korte uitleg over de zorgverzekering.

 

Wat zijn de resultaten?

Uit de resultaten blijkt dat vooral het filmpje waarin werd uitgelegd hoe gemakkelijk het is om over te stappen positieve effecten heeft. Consumenten die het filmpje zagen zijn iets vaker overgestapt van zorgverzekeraar of vaker bewust bij dezelfde zorgverzekeraar gebleven. Ook hebben deze consumenten vaker naar het aanbod van andere zorgverzekeraars gekeken. Misschien komt dit doordat hun kijk veranderde. Zij zagen het als minder gedoe om over te stappen en hadden duidelijker de deadline voor ogen dan consumenten in de andere genoemde groepen.

 

CentERdata heeft het ministerie aanbevolen om in de najaarscampagne een filmpje te gebruiken met uitleg over hoe gemakkelijk het is om over te stappen.

Het Verkiezingsonderzoek 2017 (april 2017)


Vanaf eind januari tot half maart 2017 werden wekelijks aan ongeveer de helft van alle panelleden van het LISS panel vragen over de Tweede Kamerverkiezingen van 15 maart 2017 voorgelegd.

Vanaf eind januari tot half maart 2017 werden wekelijks aan ongeveer de helft van alle panelleden van het LISS panel vragen over de Tweede Kamerverkiezingen van 15 maart 2017 voorgelegd. Elke week werd aan de panelleden gevraagd of ze van plan waren te gaan stemmen en, zo ja, waarop. Daarnaast kregen ze een paar vragen die van week tot week anders waren, bijvoorbeeld over welke onderwerpen (inkomen, pensioen, immigratie, gezondheidszorg etc.) ze van belang achtten; over het stemgedrag van hun vrienden en kennissen; of over het vertrouwen in de lijsttrekkers van de grootste partijen. In de week na de verkiezingen is aan alle panelleden van het LISS panel gevraagd wat ze echt hebben gestemd.

Twee verschillen tussen de LISS peiling en andere peilingen

Er zijn twee belangrijke verschillen tussen de LISS peiling en de andere grote politieke peilingen in Nederland. Ten eerste werd in andere peilingen gevraagd naar de partij waarop iemand denkt te gaan stemmen, zonder er rekening mee te houden dat veel mensen dat nog niet weten. In het LISS panel werd gevraagd naar kansen om op elke partij te stemmen. Letterlijk was de vraag:

Kunt u voor elke partij aangeven hoe groot de kans is dat u daarop bij de Tweede Kamerverkiezingen op 15 maart gaat stemmen?

In totaal moeten de kansen optellen tot 100%.

Ten tweede is van de meeste peilingen niet zo duidelijk hoe de steekproef is getrokken. Maar het LISS panel is gebaseerd op een volkomen willekeurige steekproef van adressen getrokken door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Dit maakt het mogelijk om op een wetenschappelijk verdedigbare manier aanpassingen te doen voor het feit dat niet iedereen die uitgenodigd is voor het LISS panel er ook daadwerkelijk aan meedoet. Dit verbetert de representativiteit van de resultaten.

Presidentsverkiezing in de Verenigde Staten

Peilingen met deze zelfde twee kenmerken zijn eerder uitgevoerd voor de presidentsverkiezingen van 2012 en 2016 in de Verenigde Staten, onder leiding van Arie Kapteyn (University of Southern California).  In 2012 was deze peiling zeer succesvol en voorspelde de uitslag van de presidentsverkiezingen beter dan alle andere grote peilingen. In 2016 was de peiling van Kapteyn de enige die voorspelde dat Trump een meerderheid van de stemmen zou krijgen. Dit was voor de universiteit in Tilburg een reden om dezelfde methode ook voor de Nederlandse verkiezingen toe te passen en te kijken hoe goed de methode werkt voor een totaal ander stelsel (met meer dan twee partijen) dan in de VS.

Media aandacht en de Peilingwijzer

In het begin trok het onderzoek al meteen veel aandacht van de media. Al heel snel werd de LISS peiling ook opgenomen in de Peilingwijzer die de belangrijkste peilingen in Nederland combineert tot één nieuwe peiling. Een van de redenen voor de aandacht van de pers was dat de LISS peiling toen al voorspelde dat de VVD de grootste partij zou worden. De meeste andere peilingen gaven toen nog aan dat de PVV de grootste kans daarop maakte. Dit leidde zelfs tot tweets waarin werd gesuggereerd dat het LISS onderzoek wel door de VVD zou zijn betaald. Achteraf beschouwd zat de LISS peiling in de beginperiode (eind januari) dus dichter bij de uiteindelijke uitslag dan de andere peilingen.

Peilingen en de echte uitslag

Iets soortgelijks zien we ook in onderstaande figuur. Hierin wordt aangegeven in hoeverre de zes belangrijkste peilingen en de combinatie daarvan (PW = Peilingwijzer) afwijken van de echte uitslag. De horizontale as geeft de tijd aan (van half januari tot aan de verkiezingen half maart 2017). Langs de verticale as staat de afwijking in zetelaantal, gemiddeld over alle partijen die in de Tweede Kamer zijn gekomen. Voor de Peilingwijzer was deze afwijking eind januari 2,6 zetels; gemiddeld zat de Peilingwijzer dus per partij 2,6 zetels te hoog of te laag (de zwarte lijn). De LISS peiling deed het toen met een gemiddelde afwijking van bijna 2,5 zetels (de donkergrijze lijn) flink wat beter dan de andere bureaus (de lichtgrijze lijnen). Maar in de aanloop naar de verkiezingen zijn de peilingen van de andere bureaus sterker veranderd dan de LISS peiling, en uiteindelijk zijn zij ook dichter bij de uitslag uitgekomen. Voor de Peilingwijzer geldt dit in nóg sterkere mate. De laatste peiling gaf voor de Peilingwijzer een gemiddelde afwijking van 1,25 zetels, terwijl de afwijking voor de LISS peiling bleef steken op ruim 2 zetels. Op de vraag of de LISS peiling het beter of slechter heeft gedaan dan andere peilingen is het antwoord dus niet eenduidig: beter als we naar de langere termijnvoorspelling kijken, slechter als we naar de voorspelling vlak vóór de verkiezingen kijken.

Laatste peiling

De afwijking tussen de laatste voorspelling en de uitslag kreeg natuurlijk veel meer aandacht dan de afwijking ten opzicht van eerdere voorspellingen. Natuurlijk werd ook gekeken naar de reden waarom de LISS peiling het wat dit betreft relatief slecht heeft gedaan. Een van de redenen is dat in de LISS peiling steeds alle antwoorden van de laatste zeven dagen zijn meegenomen in plaats van alleen de antwoorden van de allerlaatste dag of de allerlaatste twee of drie dagen. Dit betekent dat de ontwikkelingen in de laatste dagen voor de verkiezingen maar voor een klein deel in de LISS peiling tot uitdrukking kwamen. Daardoor hebben we de invloed van de diplomatieke ruzie met Turkije onderschat die in de dagen voor de verkiezingen heeft geleid tot een flinke toename van stemmen voor de VVD van premier Rutte. Die toename kwam bij de LISS peiling maar gedeeltelijk tot uitdrukking. Als in plaats van zeven dagen terug maar tot drie dagen voor 15 maart was gekeken, zou de gemiddelde zetelafwijking voor de LISS peiling niet op 2,5 zijn uitgekomen maar op 1,6, en zou de LISS peiling het in vergelijking met andere bureaus niet beter maar ook niet slechter hebben gedaan. Dit is in elk geval een van de lessen voor de volgende keer: de ontwikkelingen in de laatste dagen voor de verkiezingen zijn essentieel voor de laatste peiling, en het is dus belangrijk om die zo goed mogelijk mee te nemen.

Meer dan alleen de uitslag voorspellen

Met alle verzamelde gegevens kunnen we veel meer dan alleen peilingen van de uitslag doen. Ten eerste kunnen we zien hoe de politieke voorkeur verschilt tussen mannen en vrouwen, jongeren en ouderen, mensen met een hoog of een laag inkomen etc. Zo blijkt bijvoorbeeld dat de PVV veel minder populair is onder vrouwen dan onder mannen en dat GroenLinks en D66 relatief het meest populair zijn onder hoogopgeleiden. Ook zien we, zoals u misschien al zou verwachten, dat mensen die immigratie een belangrijk thema vinden vaker PVV stemmen, en dat mensen die het thema ontwikkelingshulp belangrijk vinden juist weinig VVD of PVV stemmen, maar vaker kiezen voor GroenLinks of de Christen Unie.

Zwevende kiezers

Het vragen naar kansen geeft inzicht in het verschijnsel van de zwevende kiezer. Onderstaande grafiek laat dit zien. Voor de eerste week (eind januari 2017) en de zevende week (begin maart 2017) geeft de grafiek aan hoe de positieve kansen verdeeld zijn voor elke partij. Als een respondent kans 0 rapporteert om op een bepaalde partij te stemmen dan is deze kans dus niet meegenomen. Uit de grafiek blijkt dat kansen van 100% of dicht bij de 100% vaker voorkomen in week 7 dan in week 1. Veel mensen die in week 1 nog niet zeker weten op welke partij ze gaan stemmen, weten in week 7 wel (bijna) zeker op welke partij ze gaan stemmen. De PVV heeft de minste zwevende kiezers: degenen die overwegen PVV te stemmen, zijn daarover het minst onzeker. Anderzijds waren er zowel in week 1 als in week 7 juist veel mensen die overwegen om D66 of GroenLinks te stemmen maar daar nog niet zeker van zijn. En zelfs kort voor de verkiezingen zijn er nog steeds veel mensen die twijfelen en positieve kansen toekennen aan (ten minste) twee verschillende partijen.

 

 

Vertrouwen in de wetenschap (februari 2017)


Regelmatig is te horen dat het vertrouwen in de wetenschap afneemt. Maar is dat werkelijk het geval? Met het LISS panel hebben Peter van der Velden en Ruud Muffels van Tilburg University die vraag in februari 2017 wetenschappelijk beantwoord.

 

Regelmatig is te horen dat het vertrouwen in de wetenschap afneemt. Maar is dat werkelijk het geval? Met het LISS panel hebben Peter van der Velden en Ruud Muffels van Tilburg University die vraag in februari 2017 wetenschappelijk beantwoord.

 

In het LISS panel worden namelijk vanaf 2007 ieder jaar vragen gesteld over het vertrouwen dat panelleden hebben in de wetenschap (naast het vertrouwen in andere instellingen zoals de rechtspraak en zorg). Belangrijk is  verder te melden dat panelleden een representatieve afspiegeling vormen van de Nederlandse bevolking. De mate waarin panelleden vertrouwen hebben in de wetenschap geeft dus inzicht in hoeverre Nederlanders daarin vertrouwen hebben.
Wat was de uitkomst? Het gemiddelde cijfer in de jaren 2007 tot en met 2016 bleek ongeveer een 7 te zijn (op een schaal van 0 tot 10). In tegenstelling tot alle berichten bleek het vertrouwen dus behoorlijk stabiel. We vonden dus helemaal geen aanwijzingen dat het vertrouwen afneemt. Opvallend was verder dat het vertrouwen in de wetenschap veel groter was in al die jaren dan het vertrouwen in bijvoorbeeld de media en politiek (gemiddeld lager dan een 5).
Beweringen dat vertrouwen in de wetenschap erodeert, staan haaks op resultaten van verschillende onderzoeken. Weliswaar bestaan er sinds Trump ‘alternatieve feiten’ maar „dat wetenschap ook maar een mening is” wordt door weinigen gedeeld. Wetenschap heeft juist aan glans gewonnen gezien de interesse voor wetenschappelijke doorbraken. Linkse of rechtse doorbraken bestaan niet, ook al suggereert een motie van Duisenberg en Straus (VVD) dat wetenschappers een ‘linkse kliek’ vormen (NRC, 9/2).
In een NRC-bijdrage (1/2) stelt professor Gabriël van den Brink de volgende, tweeledige vraag: „waarom het vertrouwen in de wetenschap zo erodeert en wat we daaraan kunnen doen?” Volgens hem is het een uitgemaakte zaak dat het vertrouwen in de wetenschap (sterk) erodeert of afneemt – maar is dat werkelijk zo?


Verliezen burgers heden ten dage massaal hun vertrouwen in wetenschap en/of de producten die deze voortbrengt, zoals gps, pacemakers en therapieën? De snelle stijging in de consumptie van deze vernieuwingen zegt in ieder geval iets over het verlangen of de behoefte ernaar. En wat te denken van de populariteit van wetenschappelijke zenders en programma’s op tv zoals National Geographic, Het KlokhuisDe kennis van nu en Tegenlicht.
Wat zeggen de feiten? Het zogeheten LISS panel (Longitudinal Internet tudies for the Social Sciences) dat bestaat uit een omvangrijke aselecte steekproef onder de Nederlandse bevolking, geeft een duidelijk antwoord. In dit panel, uitgevoerd door CentERdata, wordt vanaf 2007 jaarlijks uitgebreid gevraagd naar het vertrouwen in de wetenschap en in diverse andere organisaties, zoals politici, media, gezondheidszorg en rechtssysteem (minimale score 0, maximale score 10), naast een reeks andere onderwerpen.


De antwoorden van bijna 2.000 respondenten die vanaf 2007 aan acht metingen hebben deelgenomen, die goed vergelijkbaar zijn met de antwoorden van alle deelnemers per jaar, tonen het volgende. Vanaf 2007 is de gemiddelde score op „vertrouwen in de wetenschap” een 7. Laag-, midden- en hoogopgeleiden wijken, ofschoon gering, onderling daarin wat af. Deze wetenschappelijke gegevens, die overigens vrij toegankelijk zijn voor wetenschappelijk en beleidsmatig onderzoek, ondersteunen de stelling van Van den Brink in ieder geval niet.
Het vertrouwen in de wetenschap in Nederland blijkt de afgelopen bijna tien jaar behoorlijk stabiel te zijn en een stuk hoger dan het vertrouwen in bijvoorbeeld politici (gemiddelde 4,8) en de media (gemiddelde cijfer 4,9). Het gemiddelde cijfer voor vertrouwen in de wetenschap ligt een fractie hoger dan hetzelfde cijfer voor de gezondheidszorg (gemiddeld 6,6).
Als verklaring voert Van den Brink de overvloed aan informatie op het net aan: „Nu is er voor elke opinie een aantal ‘bewijzen’ op het net te vinden.” Geldt dit ook voor dit (alternatieve) feit? Een zoektocht op het net geeft inderdaad snel een hit, maar een hit die de stellige uitspraak juist ontkent. Het betreft een eerder en kortdurende studie van het Rathenau Instituut (2015) dat op basis van empirisch onderzoek in 2012 en 2015 concludeerde: „Het vertrouwen in de wetenschap in Nederland is anno 2015 onverminderd hoog.” Deze uitkomsten sluiten goed aan bij ons beeld over de afgelopen tien jaar. Dat wetenschapsfraude voorkomt doet daar in essentie niets aan af: de ophef is telkens groot juist omdat het niet wordt geaccepteerd en juist omdat mensen op wetenschap willen vertrouwen.
Of mensen de wetenschap beschouwen „als een linkse kliek” is evenzeer de vraag. Als dat waar zou zijn, dan is te verwachten dat mensen, naarmate zij zichzelf als meer rechts beschouwen, minder vertrouwen in de wetenschap hebben. In het LISS-panel worden de politieke voorkeuren en overtuigingen eveneens uitgebreid onderzocht. Uit analyse van deze gegevens blijkt echter dat het vertrouwen niet samenhangt met de mate waarin mensen zich als links of rechts beschouwen. Dat stemt overeen met bevinding dat naarmate men meer sympathie voelt voor een grote politieke partij, of dat nu VVD, CDA, D66 of PvdA betreft, men wat eerder vertrouwen in de wetenschap, maar ook in de zorg of media heeft. Voor de PVV gelden deze verbanden niet. Dit alles roept de vraag op waarom deze debatten, met inachtneming van wat bekend is, plaatsvinden. Is het dat status meer wordt ontleend aan bezit en geld dan aan ideeën? Is het de opkomst van het populisme of de geopperde toenemende minachting voor de intellectuele elite?


Of is hier sprake van een nieuwe mediahype en wordt vanuit de wetenschap wat slap gereageerd en geven wetenschappers te gemakkelijk aan deze tendens toe? Wanneer wetenschappers de eerlijke feiten laten spreken, ontstaat een ander beeld. De wetenschap vormt hier en elders nog steeds een ongelofelijke rijke bron van inspirerende ideeën en vernieuwende toepassingen. Hiervoor bestaat geen alternatief, net zomin als voor de debatten die onlosmakelijk onderdeel vormen van de wetenschap.

 is hoogleraar victimologie, Intervict, Tilburg University.  Ruud Muffels is hoogleraar labour market and social security/directeur Reflect, Tilburg University.

bron: NRC, Opinie, dinsdag 14 februari 2017

 

Internetgebruik en negatieve levensgebeurtenissen


Zoeken mensen hulp op het internet als ze te maken krijgen met negatieve levensgebeurtenissen, zoals echtscheiding, baanverlies, of problemen met de gezondheid? En zo ja, wat doen ze daar dan precies? En helpt het?

Zoeken mensen hulp op het internet als ze te maken krijgen met negatieve levensgebeurtenissen, zoals echtscheiding, baanverlies, of problemen met de gezondheid? En zo ja, wat doen ze daar dan precies? En helpt het?

Dit soort vragen waren de aanleiding om een vragenlijst af te nemen onder de leden van het LISS panel naar online coping, oftewel het gebruik van het internet als hulpbron. Er werd mensen gevraagd of zij de afgelopen drie jaar negatieve levensgebeurtenissen hadden meegemaakt en bij wie dat zo was werd er gevraagd naar allerlei dingen die mensen op het internet kunnen doen in reactie op die problemen. De meest voorkomende manier om het internet in te zetten was het zoeken van afleiding: 42% van de respondenten zei wel eens te internetten om daarmee hun problemen even te vergeten. Verder zei 32% het internet te gebruiken om concrete oplossingen te zoeken en zo’n 15% gaf aan door middel van het internet steun en raad van anderen te hebben gekregen. Deze hulpbronnen werden op verschillende manieren gevonden: door te googlen, door deel te nemen aan online support groepen en sociale netwerksites, en in het geval van het zoeken van afleiding ook door online gamen.

De onderzoekers zijn ook nagegaan in welke mate mensen exclusief het internet gebruiken als hulpbron of dat men het juist combineert met het gelijktijdig zoeken van offline hulp. Dat laatste komt duidelijk het vaakst voor: online hulpbronnen mobiliseren zonder offline hulp inschakelen bleek zeer uitzonderlijk. Toch is voor sommige mensen het relatieve belang van het internet als hulpbron groter dan voor anderen.  Dit is zo voor mensen met beperkte (offline) sociale interacties en relaties, zoals mensen met weinig sociaal vertrouwen, mensen met een negatief zelfbeeld, eenzame mensen en mensen met fysieke beperkingen.

Het laatste deel van het onderzoek is om na te gaan wat de effecten zijn van het internet als hulpbron: helpt het, doet het niets, of werkt het zelfs averechts? De onderzoekers zijn nog bezig met deze analyses, maar de voorlopige resultaten zijn niet heel positief. Zo blijken mensen die veel online hulpbronnen mobiliseren minder tevreden te zijn met hun leven en een slechtere mentale gezondheid te hebben. Een belangrijke volgende stap in het onderzoek zal zijn om na te gaan of dit vooral een oorzaak of een gevolg is van het internetgebruik.

 

 

Uw gevoelens over geld (januari 2017)


Optimisme, boosheid, jaloezie, trots of blijheid... Een mens ervaart dagelijks allerlei emoties. Emoties wisselen elkaar af, maar zijn er soms ook tegelijkertijd. Soms zijn ze heel sterk. Andere keren komen ze in wat afgezwakte vorm naar boven. Economen hebben lang weinig van emoties willen weten, maar de laatste jaren is steeds duidelijker geworden dat emoties wel degelijk interessant zijn en een functie hebben voor economisch beslissingsgedrag.

Emoties informeren en motiveren ons. Een paar voorbeelden. Als consumenten boos zijn op bankiers, dan proberen ze hun geld ergens anders onder te brengen. Consumenten die spijt hebben van een aankoop zullen de volgende keer iets anders aanschaffen. Consumenten die droevig zijn over hun situatie proberen deze te verbeteren. Om economisch gedrag goed te begrijpen, is het dus belangrijk om meer over emoties te weten.


Wat zijn de resultaten?

Vanaf juni 2009 is binnen het LISS panel een onderzoeksproject gestart om de emoties van consumenten te meten. Op basis van de emoties die mensen ervaren, kunnen we de zogenoemde Ecomotion-index samenstellen. Deze index laat zien dat Nederlanders meer positieve dan negatieve gevoelens ervaren als ze denken aan hun financiële toekomst.

In het begin van het onderzoek is de index ieder kwartaal gestegen. Tot begin 2011 kregen Nederlanders een steeds positiever gevoel over hun financiële toekomst. Daarna was de impact van de crisis duidelijk merkbaar. Van 2011 tot 2013 zagen Nederlanders hun financiële toekomst minder positief in en waren zij pessimistischer. Vanaf 2014 wanneer Nederland weer op klimt uit de crisis is er ook weer een stijgende lijn in de Ecomotion-index te zien. Nederlanders kregen vanaf 2014 weer een steeds positiever gevoel over hun financiële toekomst. De index laat zien dat Nederlanders in tijden van crisis pessimistischer zijn. Hoe optimistisch of pessimistisch consumenten zijn heeft invloed op hoeveel zij willen besteden.

Er bestaan wel aanzienlijke verschillen tussen Nederlanders. Dit hangt deels samen met leeftijd en opleidingsniveau. Jongeren tussen 15 en 24 en tussen 25 en 34 jaar ervaren de meest positieve en minst negatieve gevoelens over hun toekomst. Opvallend is dat de leeftijdsgroep tussen 45 en 54 jaar het laagst scoort. Zij hebben relatief de meest negatieve gevoelens van alle leeftijdsgroepen. Hoger opgeleiden ervaren de meeste positieve en minst negatieve gevoelens over hun toekomst. 

De geloofwaardigheid van ministers en fractieleiders


Onze politiek leiders hebben een belangrijke rol in onze democratie. Maar hoe is het eigenlijk gesteld met de geloofwaardigheid van deze politiek leiders?

Onze politiek leiders hebben een belangrijke rol in onze democratie. Maar hoe is het eigenlijk gesteld met de geloofwaardigheid van deze politiek leiders? Vinden we onze fractieleiders en ministers wel bekwaam, betrokken en betrouwbaar? 

Leden van het LISS panel hebben vragen beantwoord over ministers uit kabinet Rutte II en de huidige fractievoorzitters in het parlement. Zo vroeg ik in hoeverre ze de verschillende ministers en fractieleiders bekwaam, betrouwbaar en betrokken vonden. Met andere woorden: hoe geloofwaardig zijn ze nu eigenlijk? 

Voldoende
Daaruit bleek dat het niet eens zo slecht gesteld is met de geloofwaardigheid van onze leiders. Hoewel je je kunt afvragen of een zesje genoeg is, halen in ieder geval 20 van de 24 ministers en fractieleiders een voldoende. Opvallend goed scoorden Frans Timmermans (PvdA) en Emile Roemer (SP). De architecten van het huidige kabinet – Mark Rutte (VVD) en Diederik Samsom (PvdA) – kwamen daarentegen minder goed uit de verf. 

Stemvoorkeur en politieke steun
Hoewel over het geheel genomen onze ministers en fractieleiders er niet onaardig uitkomen, betekent dit niet dat iedereen even enthousiast is. Daarom ben ik nagegaan in hoeverre de stemvoorkeur en de steun voor de regering en het parlement van mensen samenhangen met hun geloofwaardigheidsoordeel over specifieke politici. Deze twee factoren zijn niet bij alle leiders even belangrijk. Stemvoorkeur maakt vooral uit voor de fractieleiders, terwijl het oordeel over ministers juist meer samenhangt met de steun voor de regering. Tegelijkertijd zijn er ook verschillen van leider tot leider. Zo is steun voor de regering voor Mark Rutte’s geloofwaardigheid belangrijker dan voor de geloofwaardigheid van voormalig minister Opstelten. Bij de fractieleiders is bijvoorbeeld steun voor parlement belangrijker voor de geloofwaardigheid van Diederik Samsom, dan voor de geloofwaardigheid van Wilders, bij wie juist de stemvoorkeur uitmaakt.

Het vervolg
Nu ik de geloofwaardigheid van de huidige ministers en fractieleiders in beeld heb, wil ik in het vervolgonderzoek achterhalen waar die nu precies mee samenhangt. Wat doen en zeggen ministers en fractieleiders op televisie, hoe wordt daar vervolgens over geschreven door kranten en wat zijn de reacties op Twitter? Zo probeer ik vast te stellen wat leiders geloofwaardig maakt.

 

geschreven door Sabine Zuydam

Shoppen binnen pensioenfondsen (maart 2014)


Willen Nederlanders keuzevrijheid als het gaat om pensioenfondsen en de manier waarop zij beleggen? En zo ja: waar willen we dan precies invloed op hebben? In maart 2014 hebben leden van het LISS panel daar een vragenlijst over ingevuld. De vragenlijst is voorgelegd aan 5.034 panelleden van 40 jaar en ouder; 3.986 panelleden vulden de vragenlijst volledig in.

Willen Nederlanders keuzevrijheid als het gaat om pensioenfondsen en de manier waarop zij beleggen? En zo ja: waar willen we dan precies invloed op hebben? In maart 2014 hebben leden van het LISS panel daar een vragenlijst over ingevuld. De vragenlijst is voorgelegd aan 5.034 panelleden van 40 jaar en ouder; 3.986 panelleden vulden de vragenlijst volledig in. Daarmee kwam het responspercentage op 79,2%. 

De vragenlijst is onderdeel van het onderzoeksproject ‘Keuzevrijheid binnen en tussen pensioenfondsen: mogelijk, wenselijk, en haalbaar?’ Doel van het onderzoek is kennis genereren om effectieve beleidskeuzes te kunnen maken over de introductie van keuzevrijheid in het Nederlandse pensioenstelsel. 
Keuzevrijheid maakt het mogelijk dat pensioenfondsdeelnemers uiting geven aan hun individuele financiële voorkeuren (risico- en onzekerheidsaversie) en niet-financiële voorkeuren (bijvoorbeeld duurzaam beleggen). De verwachting is dat hiermee welvaartswinst te behalen is.

Dit onderzoek wordt gesubsidieerd door Stichting Instituut Gak en uitgevoerd aan de Radboud Universiteit Nijmegen. 


Resultaten

Nederlanders staan bekend als mensen die risico’s en onzekerheden uit de weg gaan. Uit het LISS panel blijkt echter dat lang niet alle Nederlanders risico’s en onzekerheden vermijden als het om pensioenen gaat. De respondenten hebben in de vragenlijst een keuze gemaakt tussen vignetten (beschrijving van een situatie die zich in de werkelijkheid kan voordoen) met hoog, gematigd en laag beleggingsrisico en vignetten met hoge, gematigde en lage premie en (on)zekerheid van pensioeninkomen na pensionering. De drie risicoprofielen en de drie onzekerheidsprofielen worden elk door ongeveer een derde van de respondenten gekozen. Mannen kiezen vaker voor een pensioenregeling met een hoger risico en ook vaker voor een regeling met meer onzekerheid. Deze heterogeniteit in risico- en onzekerheidspreferenties kan aanleiding zijn voor introductie keuzemogelijkheden. 


De gulden middenweg
De resultaten bevestigen dat mensen een voorkeur hebben voor de “middenweg”. Onze keuzes zijn dus niet altijd rationeel. Bij moeilijke keuzes hanteren mensen vaak een eenvoudige vuistregel, zoals vermijden van uitersten. Dit gedrag maakt niet alleen sturing, maar ook manipulatie bij keuzeproblemen mogelijk. De opties waaruit pensioendeelnemers kunnen kiezen, moeten dus zeer zorgvuldig geselecteerd worden door de werknemer en de werkgever of hun vertegenwoordigers.

Verantwoord beleggen
Via de LISS vragenlijst zijn ook de voorkeuren voor verantwoord beleggen onderzocht. Driekwart van de respondenten is voor verantwoord beleggen door hun pensioenfondsen, ook al is de prijs daarvoor een hogere premie of lager pensioen. De voorkeur voor verantwoord beleggen is significant hoger onder vrouwen en neemt toe met de leeftijd en het opleidingsniveau. Deze heterogeniteit kan aanleiding zijn voor de introductie van duurzame beleggingskeuzemogelijkheden. Deze extra dimensie bemoeilijkt echter het maken van een financiële beslissing.

 

geschreven door Lei Delsen

Als ons iets overkomt, biedt het internet dan uitkomst? (januari 2014)


Zoeken mensen hulp op het internet als ze te maken krijgen met negatieve levensgebeurtenissen zoals echtscheiding, baanverlies, of problemen met hun gezondheid? Zo ja, wat doen ze daar dan precies?

Zoeken mensen hulp op het internet als ze te maken krijgen met negatieve levensgebeurtenissen zoals echtscheiding, baanverlies, of problemen met hun gezondheid? Zo ja, wat doen ze daar dan precies? En helpt het?

Dit soort vragen was de aanleiding om in januari een vragenlijst af te nemen onder de leden van het LISS panel naar "online coping", oftewel het gebruik van het internet als hulpbron. 

Online soelaas
We vroegen mensen of zij de afgelopen drie jaar negatieve levensgebeurtenissen hadden meegemaakt. Bij de mensen voor wie dat gold, hebben we gevraagd hoe ze internet gebruikten om met die problemen om te gaan. 

De meest voorkomende manier om het internet in te zetten, was het zoeken van afleiding: 42% van de respondenten zei wel eens te internetten om daarmee hun problemen even te vergeten. Verder zei 32% het internet te gebruiken om concrete oplossingen te zoeken. Zo’n 15% gaf aan via internet hulp van anderen te hebben gekregen. Deze hulpbronnen werden op verschillende manieren gevonden: door te googlen, in online support groepen, op sociale netwerksites, en in het geval van afleiding zoeken ook door online gamen. 



Online en offline    
De onderzoekers zijn ook nagegaan of mensen alleen internet gebruiken als hulpbron of dat ze dat juist combineren met ‘offline’ hulp. Dat laatste komt duidelijk het vaakst voor. 
Toch is voor sommige mensen het relatieve belang van internet als hulpbron groter dan voor anderen. Met name voor mensen met beperkte (offline) sociale interacties en relaties, zoals mensen met weinig sociaal vertrouwen, mensen met een negatief zelfbeeld, eenzame mensen en mensen met fysieke beperkingen. 

Helpt het?
In de laatste fase van het onderzoek gaan we na wat de effecten zijn van internet als hulpbron: helpt het, doet het niets, of werkt het zelfs averechts? Hoewel de onderzoekers nog volop bezig zijn met deze analyses, zijn de voorlopige resultaten niet heel positief. Zo blijken mensen die veel online hulpbronnen mobiliseren minder tevreden te zijn met hun leven en een slechtere mentale gezondheid te hebben. Een belangrijke volgende stap in het onderzoek is nagaan of dit vooral een oorzaak of juist een gevolg van het internetgebruik is.

 

geschreven door Erik van Ingen

Snacken en snoepen: guilty pleasures (april 2013)


Iedereen weet het: tussendoortjes als koekjes, chips en frites zijn niet goed voor de lijn en slecht voor de gezondheid.

Iedereen weet het: tussendoortjes als koekjes, chips en frites zijn niet goed voor de lijn en slecht voor de gezondheid. Toch snacken en snoepen de meeste mensen regelmatig.
 
In ons onderzoeksproject werken we aan strategieën die mensen helpen om ongezonde tussendoortjes te laten staan. Om zo’n strategie te laten werken, moeten we eerst weten waaróm mensen snacken en snoepen. In ons onderzoek hebben we de zes belangrijkste redenen gevonden.
 
Waarom eten mensen ongezonde snacks? Natuurlijk omdat ze lekker zijn. Maar behalve dat ze goed smaken, zijn er nog andere redenen. Zo spelen er ook psychologische factoren mee in ons snackgedrag. 


Uitlokkers van snackgedrag
Sommige mensen grijpen bijvoorbeeld automatisch naar een zak chips als ze televisie kijken, zonder dat ze er bij nadenken. Anderen hebben het gevoel dat ze onder druk staan van de mensen om hen heen (‘proef er dan eentje!’). Om meer inzicht te krijgen in deze redenen hebben we ruim duizend mensen gevraagd hoe vaak ze ongezonde tussendoortjes eten, en wanneer ze dat doen. Deelnemers konden vervolgens aankruisen in welke mate een bepaalde reden een aanleiding is om te snacken, of zelf een reden opgeven.
Als er een fuif is
Uit het onderzoek kwamen zes verschillende redenen om te snoepen en snacken naar boven: omgaan met negatieve emoties (zoals verdriet of stress), door sociale druk (om iemand anders een plezier te doen), als beloning (na hard werken bijvoorbeeld), vanwege honger, omdat het past bij de situatie (zoals tv kijken) en het vieren van een speciale gebeurtenis (zoals een verjaardag). Wat blijkt? Negatieve redenen zoals omgaan met emoties of sociale druk blijken relatief weinig invloed te hebben op ons snackgedrag. Mensen eten voornamelijk ongezonde tussendoortjes om samen een speciale gebeurtenis of gelegenheid te vieren: op een feest, bij een verjaardag of tijdens het samenzijn met vrienden.
 
Kan het ook wat minder?
In een vervolgonderzoek zullen we aansluiten bij deze zes redenen, met extra aandacht voor het snacken op feestjes en speciale gelegenheden. Door nieuwe strategieën te ontwikkelen die

goed aansluiten bij de redenen waarom mensen snacken, kunnen we mensen helpen hun snackgedrag te verminderen.

 

Geschreven door Aukje Verhoeven

Maken kinderen de dromen van hun ouders waar? (februari 2013)


Een eeuw geleden schreef de bekende psycholoog Sigmund Freud: “Het kind moet de ongerealiseerde wensdromen van de ouders in vervulling doen gaan”. Volgens Freud hebben ouders de onbewuste wens dat hun kind hun onvervulde dromen waarmaakt. Sommige ouders willen dat hun kind gaat studeren omdat ze zelf daartoe nooit de kans hebben gekregen.

Een eeuw geleden schreef de bekende psycholoog Sigmund Freud: “Het kind moet de ongerealiseerde wensdromen van de ouders in vervulling doen gaan”. Volgens Freud hebben ouders de onbewuste wens dat hun kind hun onvervulde dromen waarmaakt. Sommige ouders willen dat hun kind gaat studeren omdat ze zelf daartoe nooit de kans hebben gekregen. Andere ouders willen dat hun kind een enkeltje Australië boekt omdat ze zelf nooit een wereldreis hebben kunnen maken.

Waarschijnlijk is de realiteit gecompliceerder dan Freud suggereert. Niet alle ouders willen dat hun kind hun onvervulde dromen realiseert. En áls ouders het al willen, dan zullen ze hun zin niet altijd doordrijven; niet als hun kind zelf geen behoefte heeft om te studeren of om een wereldreis te maken.

Welke ouders willen dat hun kind hun onvervulde dromen waarmaakt? Waarom willen ze dat? En onder welke omstandigheden willen ze dat? Hierover is weinig bekend Daarom hebben we – onderzoekers van de Universiteit Utrecht – deze vragen onderzocht binnen het LISS panel. We zijn momenteel de gegevens aan het analyseren. Op basis van de resultaten publiceren we een wetenschappelijk artikel.

 

 

geschreven door Eddie Brummelman

Is succes een keuze? (februari 2013)


Wereldwijd geloven steeds meer mensen in de maakbaarheid van eigen succes, door de Amerikanen ook wel ‘the American dream’ genoemd. Of je nu arm of rijk geboren bent: je kunt iets van je leven maken. Je kunt je eigen succes grotendeels creëren door je talenten te gebruiken en hard te werken. Op zich is de maakbaarheid van eigen succes een positieve gedachte.

Wereldwijd geloven steeds meer mensen in de maakbaarheid van eigen succes, door de Amerikanen ook wel ‘the American dream’ genoemd. Of je nu arm of rijk geboren bent: je kunt iets van je leven maken. Je kunt je eigen succes grotendeels creëren door je talenten te gebruiken en hard te werken. Op zich is de maakbaarheid van eigen succes een positieve gedachte. Keerzijde is dat dit geloof ervoor kan zorgen dat er negatieve beelden ontstaan over mensen die in de ogen van de maatschappij minder – of juist heel erg – succesvol zijn. Dit noemen we klasse-gerelateerde stigmatisering.

In ons onderzoek willen wij – onderzoekers van de Universiteit van Maastricht – nagaan hoe mensen klasse-gerelateerde stigmatisering ervaren. Klasse-gerelateerde stigmatisering is het negatieve beeld dat mensen kunnen hebben over anderen, op basis van sociaal-economische status (inkomen, opleiding of werk). 

Voorbeelden zijn: ‘armere mensen willen niet werken en zijn lui’ of ‘rijke mensen zijn egoïstisch’. Begin 2013 hebben leden van het LISS panel hierover een vragenlijst ingevuld.

Ervaringen van de panelleden
Ervaren mensen inderdaad dat er op hen neergekeken wordt doordat ze een lager inkomen hebben? Of schamen ze zich ervoor? Uit het onderzoek bleek dat 1 op de 5 mensen aangeeft zich soms gestigmatiseerd te voelen, doordat ze bijvoorbeeld een laag of juist hoog inkomen hebben. Van de mensen met een laag inkomen of beroep met een lagere status, zagen we dat 1 op de 4 mensen zich gestigmatiseerd voelt. Deze laatste groep schaamt zich ook vaker en heeft vaker het gevoel dat er op hen neergekeken wordt of dat er negatieve dingen over hen gezegd worden. 

Stigma en gezondheid
Met dit onderzoek willen we meer aandacht vragen voor de gevolgen van het heersende idee dat succes maakbaar is. Want wanneer mensen zich gestigmatiseerd voelen, hebben ze een grotere kans op een slechtere gezondheid en psychische klachten. Dit bleek ook uit ons onderzoek. Wanneer we meer weten over wat mensen ervaren en welke gevolgen dit heeft, kunnen we in de toekomst gerichter zoeken naar een oplossing om bijvoorbeeld klasse-gerelateerde stigmatisering te verminderen en zo de negatieve gezondheidseffecten te beperken.

 

 

geschreven door Audrey Simons

Wat maakt dat wij wél gezond gaan eten? (januari 2013)


Er bestaan allerlei initiatieven om gezond eten gemakkelijker te maken. Toch blijkt uit onderzoeken dat wij Nederlanders nog steeds te weinig groente, fruit, vis en vezels eten.

Er bestaan allerlei initiatieven om gezond eten gemakkelijker te maken. Toch blijkt uit onderzoeken dat wij Nederlanders nog steeds te weinig groente, fruit, vis en vezels eten. Dat is zorgwekkend, gezien de groeiende voedinggerelateerde gezondheidsproblemen zoals obesitas, diabetes en hart-en-vaatziekten. 

Veel voedingsonderzoeken zijn gericht op risicofactoren en determinanten van slechte eetgewoonten. Er is nog maar weinig bekend over de middelen en strategieën om gezond eten te bevorderen. In januari 2013 hebben we de psychosociale aspecten van gezond eten onderzocht met panelleden aan het LISS weegonderzoek. 

Vragen over eten, gezondheid, levensstijl en sociale situatie 
De panelleden kregen vragen voorgelegd om aspecten te meten als coping, zelfeffectiviteit, sociale ondersteuning en hoe de voedingsomgeving wordt waargenomen in relatie tot gezond eten en het behouden van een gezond gewicht. De onderzoeksgegevens werden gecombineerd met de al beschikbare data over de gezondheid, de sociale situatie en levensstijl van de panelleden. 

Rekening houdend met onderwijsniveau, inkomen, leeftijd en arbeidsmarktstatus, bleek uit de resultaten dat panelleden die zich meer hielden aan de adviezen van het Nederlands Voedingscentrum vaker: 

•    vrouw zijn;
•    met een partner samenwonen; 
•    zichzelf gezond vinden; 
•    hun leven meer betekenisvol, hanteerbaar en begrijpelijk vinden; 
•    flexibeler zijn en een groter aanpassingsvermogen hebben betreffende wat en hoe veel zij eten;
•    een hoger niveau van zelfeffectiviteit (zelfvertrouwen) hebben betreffende gezond eten.
 
Resultaten en conclusies
Deze resultaten suggereren dat positieve psychosociale factoren een belangrijke rol spelen in het aanleren van gezonde gewoonten, en dat zij mensen ondersteunen in het maken van gezonde keuzes als het gaat om voeding. 

Deze resultaten zijn ook van belang voor toekomstige pogingen om gezonde voeding te stimuleren en het streven van openbare gezondheidsdiensten om het eetgedrag onder de Nederlandse bevolking te verbeteren. Initiatieven om gezonde voeding te bevorderen moeten zich niet alleen richten op het vergroten van de kennis over gezonde voeding en de betaalbaarheid daarvan. Zij moeten ook rekening houden met de psychosociale factoren die een gezond dieet stimuleren.

 

Geschreven door Emily Swan

Wanneer en hoe nemen mensen wraak? (januari 2013)


Als mensen wraak nemen, doen zij dat vaak op een manier die voor de ander grote gevolgen kan hebben. De wreker kan bijvoorbeeld zorgen voor reputatieschade. In extreme gevallen kan een wraakmotief zelfs tot verkrachting of moord leiden.

Als mensen wraak nemen, doen zij dat vaak op een manier die voor de ander grote gevolgen kan hebben. De wreker kan bijvoorbeeld zorgen voor reputatieschade. In extreme gevallen kan een wraakmotief zelfs tot verkrachting of moord leiden. Om dit soort ernstige gevolgen te voorkomen, willen we achterhalen wanneer en hoe mensen wraak nemen. 

Er is al vrij veel kennis over wrekers en wraakzucht. Zo zijn mensen die hoog scoren op narcisme of mensen die snel boos worden eerder geneigd om wraak te nemen. Mannen nemen gemiddeld vaker wraak dan vrouwen – en jongeren vaker dan ouderen. 
Maar we weten nog maar weinig over de vraag wanneer mensen wraak nemen. 
Is dat bijvoorbeeld alleen als hen iets ernstigs is aangedaan? En zijn er bepaalde situaties (zoals vals beschuldigd worden of diefstal) die eerder tot wraak leiden dan andere?

Wanneer nemen mensen wraak?
In een eerste onderzoek vergeleken we de situationele kenmerken van mensen die wraak hadden genomen met de situationele kenmerken van mensen die – ondanks hun wraakgevoelens – geen wraak hadden genomen. Uit het onderzoek bleek dat daadwerkelijke wraakacties vaker voorkwamen 1) als de ander een vriend of een kennis was; 2) na aanleidingen die te maken hadden met buitengesloten of afgewezen worden; en 3) als er een mogelijkheid was om wraak te nemen.

Kenmerken van wraak
Een tweede onderzoek richtte zich alleen op de groep van wrekers en bekeek welke kenmerken een wraakactie in de regel heeft. Met andere woorden: als mensen wraak nemen, hoe doen zij dat dan? Uit dit onderzoek kwamen verschillende kenmerken van wraak naar voren.

•    Wraakacties laten lang op zich wachten
De helft van de wraaknemers wachtte zelfs een week of langer (soms zelfs jaren!) voordat zij wraak namen. Dit kwam soms doordat wraak op een eerder moment niet mogelijk was, maar vooral doordat wraakacties vaak gepland – of zorgvuldig getimed werden.

•    Ongelijkheid
Wraakacties vonden vaak plaats in een ander domein dan de aanleiding. Stel dat de aanleiding reputatieschade was, dan werd bijvoorbeeld wraak genomen door de persoon buiten te sluiten, niet door ook voor reputatieschade te zorgen. Ook waren wraakacties lang niet altijd even ernstig als de aanleiding voor wraak. Wrekers vonden hun actie minder ernstig dan wat hen was aangedaan. Grappig genoeg bleek uit een vervolgonderzoek dat de mensen die het doelwit waren van de wraakactie dit precies andersom vonden.

•    Wraak is zoet
Na de wraakactie voelden wrekers zich vaak redelijk tevreden. Dit komt overeen met het spreekwoord ‘wraak is zoet’.

Kortom, wees voorzichtig met iemand buitensluiten of afwijzen, want dit gedrag lokt relatief vaak wraak uit. En ook al verwacht je het niet meer, de wraakactie kan zelfs jaren later nog plaatsvinden!

 

geschreven door Maartje Elshout

Vaders net zo dol op hun kinderen als moeders


Er wordt wel eens gezegd dat moeders meer bezorgd zijn over de gezondheid en het geluk van hun kinderen dan vaders. Dat zou dan moeten blijken uit het feit dat moeders meer tijd besteden aan hun kinderen en dat ze misschien ook wel mooiere kleren voor de kinderen kopen.

We vroegen panelleden naar hun tijdsbestedings- en uitgavepatroon. Zo proberen we te achterhalen hoeveel tijd de panelleden in een week besteden aan betaald werk, huishoudelijke taken en activiteiten met de kinderen.
 
Door naar uitgaven te vragen krijgen we meer inzicht in hoeveel een gezin gemiddeld per maand uitgeeft aan de hypotheek of huur, gas en elektriciteit, kinderopvang en uitstapjes met het hele gezin. En naar hoeveel men gemiddeld per maand aan zichzelf uitgeeft, bijvoorbeeld aan kleding, verzorgingsproducten, bijscholing of horeca-uitgaven buiten het gezinsverband.
 
Bestedingspatronen: geld...
Uit het onderzoek blijkt onder andere dat bij ouders die beiden buitenshuis werken, mannen gemiddeld 311 euro uitgeven aan persoonlijke consumptie. Bij vrouwen is dat wat lager, namelijk gemiddeld 303 euro. De gemiddelde gezinsuitgaven bedragen gemiddeld 1828 euro per maand. De gemiddelde maandelijkse uitgaven aan kinderen zijn 479 euro.
 
...en tijd
In gezinnen besteden mannen gemiddeld 48 uur van hun week aan betaald werk en woon-werkverkeer. Vrouwen besteden hieraan gemiddeld 29 uur. Verder blijkt uit het onderzoek dat vrouwen 15 uur per week aan hun kinderen besteden en 21 uur aan huishoudelijke taken. Bij mannen is dat respectievelijk slechts 9 en 12 uur.
 
Verder...
Uit de resultaten van dit onderzoek blijkt dat er géén bewijs is voor de bewering dat vrouwen het belangrijker vinden dan mannen dat hun kinderen gelukkig en gezond zijn.

Bewust leven in het hier en nu (augustus 2012)


Onderzoek naar de relatie tussen mindfulness en BMI
In augustus 2012 is de studie 'Alledaagse Ervaringen (Mindfulness)' afgenomen in het LISS panel. Dit onderzoek is bedoeld om inzicht te krijgen in de mate waarin het persoonskenmerk mindfulness samenhangt met de Body Mass Index (BMI), wisselingen in lichaamsgewicht, en verschillende eetstijlen.

Onderzoek naar de relatie tussen mindfulness en BMI
In augustus 2012 is de studie 'Alledaagse Ervaringen (Mindfulness)' afgenomen in het LISS panel. Dit onderzoek is bedoeld om inzicht te krijgen in de mate waarin het persoonskenmerk mindfulness samenhangt met de Body Mass Index (BMI), wisselingen in lichaamsgewicht, en verschillende eetstijlen. De deelnemers aan deze studie namen eerder al deel aan het weegonderzoek. Zij hebben 16 maanden hun lichaamsgewicht via een weegschaal die is aangesloten op het internet geregistreerd.

Mindfulness gaat in het algemeen over de mate waarin mensen zich bewust zijn van ervaringen van het huidige moment. In dit onderzoek wordt mindfulness gemeten als persoonskenmerk. Ieder heeft zijn eigen mate van mindfulness. Mindfulness is ook iets dat mensen kunnen leren of trainen, bijvoorbeeld door yoga of meditatie. 

Aandacht
In dit onderzoek werd gemeten in hoeverre de respondenten over het algemeen aandacht hebben voor het huidige moment. Bijvoorbeeld in hoeverre mensen op de ‘automatische piloot’ klussen uitvoeren zonder zich bewust te zijn van wat ze doen. Mindfulness ook te maken hebben met aandacht voor specifieke aspecten van het moment. Sommige mensen valt het bijvoorbeeld meteen op dat er een klok tikt of dat er vogels fluiten, andere niet. Verder kan mindfulness te maken hebben met alert zijn op lichaamssignalen. Merkt iemand of zijn ademhaling versnelt of dat zijn spieren gespannen zijn? Of gebeurt dat onbewust?

Bewust eten 
Eerder onderzoek heeft laten zien dat mindfulness een positieve rol zou kunnen spelen bij eetgedrag. Mindfulness kan ervoor zorgen dat mensen zich meer bewust zijn van hoeveel honger ze hebben of hoe vol ze zitten. In dit onderzoek hebben we daarom onderzocht hoe mindfulness samenhangt met lichaamsgewicht en schommelingen in lichaamsgewicht over een periode van 16 maanden. Ook hebben we onderzocht of daarbij vooral mindfulness in het algemeen van belang is, of dat het uitmaakt wáár mensen hun aandacht op richten.

De resultaten van het onderzoek laten zien dat vooral de aandacht die individuen besteden aan hun lichaamssignalen samenhangt met een stabiel lichaamsgewicht. Met andere woorden: hoe meer mensen in het dagelijks leven aandacht besteden aan lichaamssignalen, hoe minder ze schommelen in hun gewicht. Individuen die over het algemeen meer aandacht schenken aan hun emoties op het moment, schommelen juist meer in gewicht. Voor de mate waarin individuen aandacht schenken aan hun fysieke omgeving werd geen relatie gevonden met gewichtsfluctuatie. 

Geen relatie tussen mindfulness en BMI...
Voor geen van de aandachtsaspecten (lichaam, emoties, fysieke omgeving) werd een relatie gevonden met BMI. Wel is het zo dat mensen die meer ervaring hebben met mindfulness, bijvoorbeeld via yoga of meditatie, een lager BMI hebben. Zowel algemene mindfulness als de ervaring met mindfulness, hield geen verband met fluctuatie in lichaamsgewicht. 

Tezamen suggereren deze resultaten dat het voor de effecten van mindfulness uitmaakt waar men de aandacht op richt. Aandacht voor lichaamssignalen levert een positieve bijdrage aan het houden van een constant lichaamsgewicht.

 

Geschreven door Evelien van der Veer

Ik zet mijn geld op ... (augustus 2012)



In de zomer van 2012 kregen LISS panelleden de vragenlijst “Vragen over investeringen”.


In de zomer van 2012 kregen LISS panelleden de vragenlijst “Vragen over investeringen”. Met de antwoorden van de vragenlijst analyseren we het gedrag en de interacties van investeerders in financiële markten.

Om het gedrag van investeerders zo realistisch mogelijk te analyseren, hebben we bekeken hoe mensen in het dagelijkse leven beslissingen nemen op de financiële markt. Daarbij letten we vooral op hoe mensen koersen of rendementen van aandelen of obligaties voorspellen, welke informatie ze daarvoor gebruiken én hoe ze omgaan met hun beleggingsportefeuille als ze veranderingen verwachten in de markt. 
 
Hebt u aandelen?
Eén deel van de vragenlijst ging naar alle panelleden. Het andere deel ging alleen naar de leden die op dat moment financiële producten bezaten. Voorbeelden van financiële producten zijn aandelen of obligaties. In totaal gaf 15 procent van de panelleden aan financiële producten te bezitten. Met de antwoorden van deze panelleden, keken wij hoe individuele beleggers zich gedragen op de financiële markt. Hiermee kunnen wij het effect op de gehele markt verder analyseren. 


Voorspelbaar?
Panelleden die financiële producten bezaten, kregen de vraag of ze denken dat beurskoersen totaal onvoorspelbaar zijn. Hierdoor kunnen wij bepalen welk deel van de individuele beleggers gelooft in de voorspelbaarheid van beurskoersen. Ook kunnen we bepalen welke factoren in de markt en de economie mogelijk van invloed zijn. 

Grote verschillen
Verder vroegen we dezelfde panelleden of ze rekening houden met bepaalde economische gebeurtenissen, zoals de Europese staatsschuldencrisis die in 2010 begon. Respondenten kregen een lijst met bekende voorvallen op het gebied van de economie en de financiële markten te zien. Ze konden aangeven in hoeverre zij deze laten meewegen bij hun investeringsbeslissingen. Uit hun antwoorden blijkt dat mensen om zeer uiteenlopende redenen hun investeringen aanpassen. De diversiteit gebruiken we om in kaart te brengen hoe mensen onderling verschillen waar het gaat om het gebruiken van informatie bij het beheren van hun beleggingsportefeuilles. 

Al met al geven de antwoorden een goed beeld van hoe mensen zich in financiële markten gedragen. De resultaten dragen bij aan de ontwikkeling van meer realistische modellen voor het gedrag van mensen die financiële producten bezitten.

 

 

Geschreven door Rasa Stasiukynaite

Hoe solidair zijn we met ....? (maart 2012)



In ons onderzoek hebben we bekeken welke factoren van invloed zijn op de solidariteit met onze medeburgers. In een eerste studie bestudeerden we de gewenste rol van de overheid (“publieke solidariteit”). We vroegen de LISS panelleden om steeds een keuze te maken tussen twee fictieve personen.


In ons onderzoek hebben we bekeken welke factoren van invloed zijn op de solidariteit met onze medeburgers. In een eerste studie bestudeerden we de gewenste rol van de overheid (“publieke solidariteit”). We vroegen de LISS panelleden om steeds een keuze te maken tussen twee fictieve personen. De vraag luidde: wie moet de overheid blijven steunen, ondanks de bezuinigingen?
 
Elke fictieve persoon werd omschreven in termen van leeftijd, geslacht, culturele achtergrond, uitkeringssituatie, aantal gewerkte jaren, aantal minderjarige kinderen, bereidheid tot vrijwilligerswerk en bekendheid in de buurt.

Uitkeringssituatie belangrijkste criterium

Voor de meeste respondenten bleek de uitkeringssituatie het belangrijkste criterium. We zijn meer solidair met arbeidsongeschikte mensen dan met mensen in de bijstand, werklozen en gepensioneerden. Fictieve personen met veel werkervaring of veel minderjarige kinderen kunnen ook op veel solidariteit rekenen. 

Respondenten zijn meer solidair met mensen van dezelfde culturele achtergrond. Toch is deze factor minder belangrijk dan de uitkeringssituatie, werkervaring of de hoeveelheid minderjarige kinderen. Ook de bereidheid tot vrijwilligerswerk is wat minder belangrijk. Geslacht en bekendheid in de buurt zijn nog minder belangrijk. De leeftijd speelt zelfs helemaal geen rol.

Wie van de buren?
In een tweede studie bestudeerden we “private solidariteit”. Als je moet kiezen tussen twee buren, wie kies je dan? Er bestaan verschillen tussen de publieke solidariteit uit het eerste onderzoek en de private solidariteit. Bij private solidariteit zijn mensen veel meer geneigd om hun solidariteit te richten op vrouwen en ouderen, terwijl dit in de eerste studie vrij onbelangrijke factoren waren. Ook zagen we dat bekendheid in de buurt ditmaal cruciaal was. We vinden dus niet dat de overheid onze buurtgenoten moet bevoordelen, maar we zijn zelf wel geneigd om bekende buurtgenoten te helpen. Een ander opvallend resultaat is dat we meer geneigd zijn een Surinaamse buur te helpen dan een Marokkaanse buur. Surinaamse buren zijn zelfs een fractie populairder dan autochtone buren.
 
Geschreven door Maarten Berg

Hoe denkt Nederland over verslaafden? (februari 2012)


Zou u het vervelend vinden als uw nieuwe buurman een strafblad heeft? Zou u dat minder erg of erger vinden dan een buurman die verslaafd is?

Zou u het vervelend vinden als uw nieuwe buurman een strafblad heeft? Zou u dat minder erg of erger vinden dan een buurman die verslaafd is? In dit onderzoek wilden we achterhalen wat voor beeld mensen hebben bij een alcohol- of drugsverslaving. 

Houding ten opzichte van mensen met een alcohol- of drugsverslaving
Opvallend is dat 71% van de deelnemers van mening is dat iemand met een verslaving niet te vertrouwen is. Driekwart van de mensen denkt dat mensen met een verslaving agressief kunnen zijn. De meerderheid (63%) vindt dat mensen met een verslaving onvoorspelbaar zijn en dat ze zichzelf verwaarlozen. Over het algemeen zijn Nederlanders vrij negatief over mensen met een verslaving. 

Wat zijn verklaringen voor een negatieve beeldvorming?
Om te beginnen vindt 82% verslaving een ernstig probleem voor de maatschappij. Een andere verklaring is dat een groot deel van de mensen (62%) vindt dat een verslaving iemand zijn eigen schuld is. We weten uit eerder onderzoek dat we negatiever en intoleranter zijn ten opzichte van mensen die we zelf verantwoordelijk achten voor een aandoening. 
Tot slot vinden we dat mensen die iemand kennen met een alcohol- of drugsverslaving (zoals een collega of familielid) toleranter zijn dan mensen die niemand in hun omgeving kennen met een alcohol- of drugsverslaving. Andere onderzoeken laten ook zien dat bekendheid met een aandoening zorgt voor meer tolerantie.


Hoe tolerant zijn we ten opzichte van mensen met een alcohol- of drugsverslaving?
Bijna de helft van de mensen (47%) is voor een gedwongen opname en behandeling bij iemand met een verslaving. 57% vindt dat verslaafde mensen niet voor kinderen mogen zorgen. De meerderheid (65%) is van mening dat iemand met een verslaving geen publieke functie mag vervullen. Anderzijds vindt 74% van de ondervraagden dat mensen met een verslaving recht hebben op een medische behandeling. Ongeveer de helft vindt dat mensen met een verslaving net zoveel recht hebben op een financiële vergoeding van de zorgverzekering als mensen met een andere aandoening. 

Dit onderzoek maakt deel uit van een groter geheel waarin ook zorgverleners en cliënten met een verslaving om hun mening wordt gevraagd. De verwerking van de resultaten van het onderzoek zijn in voorbereiding. Het onderzoek is belangrijk om meer inzicht te krijgen in de beeldvorming die in Nederland leeft over verslaving en welke invloed dit heeft op zorgverlening en rehabilitatie van mensen met een verslaving.

 

 

Geschreven door Leonieke van Boekel

Voel jij je wel lekker? (februari 2012)



Een onderzoek naar de gezondheid van panelleden in het afgelopen jaar

Hoe vaak was u ziek in het afgelopen jaar?


Een onderzoek naar de gezondheid van panelleden in het afgelopen jaar

Hoe vaak was u ziek in het afgelopen jaar? Ongeveer de helft van alle LISS panelleden vulde in januari 2012 een vragenlijst in over hun gezondheid. Daarvoor hadden ze iedere maand in 2011 al beantwoord hoe hun gezondheid die maand was. Wij wilden hiermee bekijken of er verschillen zaten in de antwoorden over de gezondheid per maand en de antwoorden over de gezondheid over een heel jaar. 
 
“Ach, zo erg was het ook weer niet”
Als mensen achteraf een vragenlijst invullen, zijn ze in het algemeen iets positiever over hun gezondheid dan in maandelijkse vragenlijsten. Ongeveer 20 procent is negatiever, 30 procent denkt er hetzelfde over en de helft is achteraf positiever. Dit komt doordat mensen periodes van ziekte makkelijk vergeten, of daar achteraf anders op terugkijken. Mensen denken dat hun gezondheid stabiel is, wanneer ze terugkijken op het vorige jaar. Maar toen ze maandelijks antwoord gaven, antwoordden ze dat hun gezondheid juist schommelde. 

Geheugensteuntjes?
Voor ons maakt het dus uit of mensen achteraf, of op het moment zelf iets antwoorden over hun gezondheid. Om het geheugen wat op te frissen, vroegen wij daarom naar herinneringen over de gezondheid en of er nog belangrijke gebeurtenissen waren. Andere deelnemers kregen te zien wat zij het jaar daarvoor als antwoord gaven. Wanneer iemand een vraag krijgt over specifieke gebeurtenissen of wanneer zij hun vorige antwoord zien, heeft dat invloed op de herinnering. De herinnering wordt dan uitgebreider. Om te zorgen dat mensen zo nauwkeurig mogelijk antwoord geven, hebben wij zoveel mogelijk open vragen gebruikt.

 

Geschreven door Peter Lugtig

Preventie- of promotiefocus: het is maar hoe je het bekijkt (2011)


Een onderzoek naar menselijke behoeften en motivaties
De mens is geneigd om genot na te streven en pijn te vermijden. Dit staat ook wel bekend als het 'hedonistisch principe’. Gedragswetenschappers onderzoeken of het mogelijk is om verschillende soorten 'genot’ en 'pijn’ te onderscheiden.

Een onderzoek naar menselijke behoeften en motivaties
De mens is geneigd om genot na te streven en pijn te vermijden. Dit staat ook wel bekend als het 'hedonistisch principe’. Gedragswetenschappers onderzoeken of het mogelijk is om verschillende soorten 'genot’ en 'pijn’ te onderscheiden. In het LISS panel zijn hier onlangs een aantal vragen over gesteld. 

Volgens dit onderzoek hebben sommige mensen een“preventiefocus”, dat betekent dat zij vooral gericht zijn op veiligheid en geborgenheid en een groot verantwoordelijkheidsgevoel hebben. Andere mensen hebben wat meer een “promotiefocus”: zij zijn gericht op zelfontwikkeling en hebben veel wensen en idealen. Het is ook heel goed mogelijk dat mensen door beide doelen gedreven worden. Met andere woorden: iemand met een sterke preventiefocus heeft niet automatisch een zwakke promotiefocus (of andersom). 

Meer medeleven?
Het onderzoeksteam van de afdeling Sociale Psychologie van de Universiteit van Ulm (Duitsland) onderzocht in het LISS panel of de focus die mensen hebben samenhangt met hoe sterk ze meeleven met anderen. De LISS panelleden konden reageren op uitspraken als 'Ik raak van streek als ik mensen zie huilen’. Daarnaast werd gemeten in welke mate ze een preventie- of promotiefocus hadden. De resultaten lieten zien dat mensen met een sterke preventiefocus meer medeleven hebben met mensen die lijden.

Focus op het negatieve heeft een positieve bijwerking
Het is opmerkelijk dat mensen met een focus op veiligheid en preventie meer medeleven tonen, omdat zij meestal nogal gericht zijn op negatieve gebeurtenissen. Bovendien worden aan hen soms negatieve persoonlijkheidskenmerken toegeschreven, zoals neurose, wraakzuchtigheid en agressie. Dit onderzoek laat zien dat gerichtheid op negatieve gebeurtenissen ook een positieve werking kan hebben.

Democratie: welke van de drie? (december 2011)



Steeds meer mensen hebben weinig vertrouwen in politieke partijen en politici, en in het functioneren van het parlement. Onder wetenschappers en politici is er daarom een discussie ontstaan over onze huidige vorm van representatieve democratie waarbij burgers tijdens verkiezingen politici kiezen die hen in het parlement vertegenwoordigen.


Steeds meer mensen hebben weinig vertrouwen in politieke partijen en politici, en in het functioneren van het parlement. Onder wetenschappers en politici is er daarom een discussie ontstaan over onze huidige vorm van representatieve democratie waarbij burgers tijdens verkiezingen politici kiezen die hen in het parlement vertegenwoordigen. Sommigen stellen voor om burgers meer directe invloed te geven op het beleid, bijvoorbeeld in de vorm van referenda. Maar wat willen burgers zelf eigenlijk? 

In december 2011 vulde het LISS panel de vragenlijst in over houdingen tegenover verschillende politieke besluitvormingsprocessen. Doel van de vragenlijst was inzicht te krijgen in de publieke steun voor verschillende vormen van besluitvorming. Ook werd onderzocht of de meningen per sociale groep verschilden. 

Drie vormen van democratie
De vragen gingen over drie vormen van democratie: de representatieve of vertegenwoordigende democratie waarin verkiezingen en het parlement centraal staan, de directe democratie waarin het gaat om directe invloed van burgers op het beleid (bijvoorbeeld via referenda) en de verborgen democratie waarin politieke besluitvorming efficiënter gebeurt: met minder debat, een kleinere rol voor politieke partijen en meer invloed voor onafhankelijke experts. Bovendien betekent de verborgen democratie dat burgers zich in principe zoveel mogelijk afzijdig houden van besluitvormingsprocessen. 

Invloed van het opleidingsniveau
De onderzoekers Hilde Coffé, verbonden aan Victoria University of Wellington (Nieuw-Zeeland) en Ank Michels van de Universiteit Utrecht, hebben deze vragenlijst ontworpen. Ze hebben de lijst gebruikt voor hun onderzoek naar het verband tussen opleiding en opvattingen over politieke besluitvormingsprocessen. Uit de eerste resultaten blijkt dat er een duidelijk verband is tussen de hoogte van iemands opleiding en de steun voor een bepaalde vorm van democratie; burgers die geen HBO of universitair diploma hebben, zijn eerder geneigd om steun te geven aan vormen van directe of verborgen democratie dan mensen met een HBO of universitaire opleiding. 

In vergelijking met mensen met een hbo-niveau of hoger, willen mensen met een lagere opleiding vooral verandering zien. Ze willen een alternatief voor de representatieve democratie in de vorm van meer directe democratie of, zij het in mindere mate, in de vorm van een meer verborgen democratie.

 

 

Geschreven door Hilde Coffé en Ank Michels

Als we elkaar eenmaal beter kennen ... (september 2011)


Een onderzoek naar de invloed van verenigingen en maatschappelijke organisaties op tolerantie en vooroordelen
Zouden vooroordelen afnemen als autochtonen en allochtonen meer contact hebben?

Een onderzoek naar de invloed van verenigingen en maatschappelijke organisaties op tolerantie en vooroordelen
Zouden vooroordelen afnemen als autochtonen en allochtonen meer contact hebben? En draagt sociaal verkeer tussen mensen met verschillende politieke voorkeuren bij aan de tolerantie?
In verschillende sociale wetenschappen bestaat het idee dat mensen er baat bij hebben als ze in contact komen met mensen die anders zijn dan zij. Maar er is nog weinig bekend over waar die contacten zouden moeten plaatsvinden, en welke omstandigheden gunstige effecten opleveren. 

In verenigingen en maatschappelijke organisaties komen mensen met verschillende achtergronden samen. LISS panelleden hebben aangegeven wat voor soort mensen ze bij verenigingen en maatschappelijke organisaties ontmoeten, welke activiteiten ze ondernemen en of ze daar positief over zijn. 

Hechte banden
De onderzoekers zijn nog maar net begonnen met de analyse van de gegevens. Toch komen er al interessante bevindingen naar voren. Zo blijkt dat sociale contacten onder deelnemers ook tot hechte banden leiden. Slechts 24% gaf aan nooit te praten over “belangrijke persoonlijke zaken” binnen de vereniging of organisatie, 51% zei dat met tussen de 1 en 5 mensen te doen en 25% zei met meer dan 5 personen belangrijke persoonlijke vragen te bespreken. 

In lijn met de verwachting zijn mensen vaak positief (83%) over de activiteiten die ze ondernemen. Tegelijkertijd kunnen diezelfde activiteiten ook wel eens leiden tot spanning: 33% gaf aan vaker dan “zelden” gespannen te zijn als gevolg van de activiteiten. 

Samenstelling
Bij vakbonden en politieke organisaties is de etnische diversiteit relatief groot: slechts 27% zei daar nooit en 39% zei daar bijna nooit mensen van andere etnische afkomst tegen te komen. In andere typen organisaties ligt dat percentage een stuk hoger. Bij culturele verenigingen of hobbyverenigingen had 68% nooit of bijna nooit contact met mensen van andere etnische afkomst. 

Deze uitkomsten laten zien dat sommige verenigingen en maatschappelijke organisaties aan de randvoorwaarden voldoen om een rol te kunnen spelen in de verbetering van tolerantie of vermindering van vooroordelen. Of dat ook lukt, zal uit een vervolgonderzoek moeten blijken.

Nederlanders zijn verenigingsmensen
In vergelijking met andere landen is deelname aan verenigingen en maatschappelijke organisaties in Nederland erg populair. In het LISS panel was 23% actief betrokken bij één organisatie, 12% actief betrokken bij twee organisaties en 11% bij drie of meer.

Eigen cultuur eerst? (september 2011)



Nationalisme en nationale culturele consumptie
In ons onderzoek bekijken we of er een verband is tussen nationalisme en 'culturele consumptie’.


Nationalisme en nationale culturele consumptie
In ons onderzoek bekijken we of er een verband is tussen nationalisme en 'culturele consumptie’. Met culturele consumptie bedoelen we bijvoorbeeld welke muziek mensen luisteren, welke boeken ze lezen en welke films ze bekijken. 

In het verleden zijn onderzoekers nagegaan in hoeverre sociale achtergrond en opleidingsniveau van invloed zijn op culturele consumptie. Er blijken vooral grote verschillen te bestaan als het gaat om museum- en theaterbezoek en het luisteren naar klassieke muziek. 


Nederlandstalig wint terrein
Mede door de globalisering krijgen we in Nederland meer buitenlandse culturele alternatieven aangeboden. Dat leidt tot allerlei reacties. Zo is bijvoorbeeld gebleken dat muziek van Nederlandse artiesten tussen 1990 en 2005 steeds populairder is geworden. En vorig jaar besloot de Tweede Kamer dat 35 procent van de muziek op Radio 2 voortaan Nederlandstalig moet zijn.
 


Toch is er nog weinig onderzoek dat nagaat of (en welke) mensen een voorkeur hebben voor culturele producten uit Nederland boven culturele producten uit het buitenland. 


De rol van uw ouders
Wij proberen met ons project te ontdekken welke mensen een sterkere voorkeur hebben voor muziek, boeken en films uit Nederland. We onderzoeken daarbij ook in hoeverre de opleiding, sociale klasse en nationalistische opvattingen van ouders bepalend zijn (geweest) voor de voorkeur voor Nederlandse muziek, boeken en films. V

erder onderzoeken we of mensen die enorm trots zijn op Nederland, ook een voorkeur hebben voor Nederlandse culturele goederen. Zo kunnen we bijvoorbeeld bekijken hoe succesvol Nederlandse muziek en films zijn in vergelijking met muziek en films uit het buitenland. Maar ook in hoeverre een nationaal saamhorigheidsgevoel wordt uitgedrukt in het delen van culturele goederen.

 

 

Geschreven door Roza Meuleman (Universiteit Utrecht) & Dr. Marcel Lubbers (Radboud Universiteit Nijmegen)

Het 'guardianship' onderzoek (augustus 2011)


Wie grijpt er in bij misdrijven of ordeverstoringen?

Niet alleen de politie, maar ook burgers spelen een rol in de bestrijding van criminaliteit. Deze rol van burgers noemen we ook wel 'guardianship’.

Wie grijpt er in bij misdrijven of ordeverstoringen?

Niet alleen de politie, maar ook burgers spelen een rol in de bestrijding van criminaliteit. Deze rol van burgers noemen we ook wel 'guardianship’. We onderzoeken wat mensen doen als ze getuige zijn van een crimineel incident. Wie grijpt er in? En wie niet? 

Dit onderzoek geeft een goed beeld van het verband tussen persoonlijke eigenschappen en actief guardianship. We hebben de leden van het LISS panel gevraagd hoe ze denken over guardianship. Ook hebben we gevraagd hoe vaak u zelf getuige bent geweest van een misdaad of ordeverstoring en hoe u daarop reageerde. 


De eerste resultaten
De voorlopige resultaten laten zien dat mensen eerder ingrijpen bij ernstige vormen van misdaad dan bij ordeverstoring. Ook blijkt dat mensen met meer verantwoordelijkheidsgevoel eerder bereid zijn om in actie te komen als ze getuige zijn van een misdrijf. Niet alleen persoonlijke eigenschappen spelen een rol bij guardianship. Ook politieke waarden en sociale integratie zijn van invloed. 

De belangrijkste factoren die iemands guardianship bepalen zijn: 
•    de houding ten opzichte van de politie;
•    eerdere trainingen (bijvoorbeeld in EHBO of zelfverdediging);
•    zelfvertrouwen; 
•    fysieke kracht; 
•    burgerlijke betrokkenheid; 
•    bezorgdheid voor anderen. 

We onderzoeken momenteel of we nog meer patronen in de gegevens kunnen ontdekken.

 

 

 

Geschreven door Danielle Reynald (Griffith University, Engeland)

Populistische communicatiestrategieën (februari 2011)



De afgelopen jaren hebben we de opkomst gezien van (rechts-)populistische partijen. Met name in Noordwest-Europa timmeren deze partijen goed aan de weg. De wetenschap zoekt naar verklaringen voor het succes van deze partijen.


De afgelopen jaren hebben we de opkomst gezien van (rechts-)populistische partijen. Met name in Noordwest-Europa timmeren deze partijen goed aan de weg. De wetenschap zoekt naar verklaringen voor het succes van deze partijen. Vorig jaar februari hebben we in het LISS panel onderzocht of de communicatiestrategie van populistische leiders aantrekkingskracht heeft op hun kiezers.

We lieten leden van het LISS panel verschillende versies lezen van een verzonnen nieuwsbericht van Geert Wilders. We maakten daarbij onderscheid tussen het gebruik van een populistische stijl (met veel drama en overdreven taalgebruik, simpele en sterke taal met de nadruk op sterk leiderschap), en populistische retoriek waarin 'de gewone Nederlander’ wordt geprezen en de elite wordt bekritiseerd. Naderhand kregen de panelleden dezelfde vragen gesteld over hoe zij dachten over Geert Wilders. Op die manier konden we onderzoeken of populistisch taalgebruik van invloed is op het imago van deze politicus.

Uit het onderzoek bleek dat de populistische communicatiestrategieën niet bij alle kiezers goed aanslaat. Met andere woorden: we vinden geen algemeen geldende effecten. Het gebruik van populistische retoriek blijkt geen effectieve communicatiestrategie: kiezers worden hierdoor niet beïnvloed. 
Wel blijkt dat bepaalde groepen kiezers positief beïnvloed worden door de populistische stijl van Geert Wilders. Dat geldt met name voor de lager opgeleiden, mensen die politiek cynisch zijn, en mensen met een lager politiek zelfvertrouwen. Deze groepen kiezers blijken meer ontvankelijk voor de populistische stijl van een rechts-populistisch leider.

 

 

 

Geschreven door Linda Bos (Universiteit van Amsterdam)

Besteden beleggers meer als ze blij zijn? (februari 2011)



Kijken beleggers alleen naar de feiten of speelt het stemmetje in je achterhoofd ook een rol? Eerdere studies suggereren dat gevoelens invloed hebben op het gedrag van beleggers. Hirshleifer en Shumway (The Journal of Finance, 2003) tonen bijvoorbeeld aan dat aandelenrendementen hoger zijn op dagen dat de zon schijnt.


Kijken beleggers alleen naar de feiten of speelt het stemmetje in je achterhoofd ook een rol? Eerdere studies suggereren dat gevoelens invloed hebben op het gedrag van beleggers. Hirshleifer en Shumway (The Journal of Finance, 2003) tonen bijvoorbeeld aan dat aandelenrendementen hoger zijn op dagen dat de zon schijnt. Ashton, Gerrard en Hudson (Applied Economics Letters, 2003) constateren dat de Britse aandelenindex, de FTSE 100, omhoog gaat als het Engelse nationale voetbalteam wint. In deze studies wordt er gekeken naar een bepaald moment waarop mensen zich gelukkig voelen. In ons onderzoek gaat het om het algemene gevoel van de belegger. 

Gevoelens en aandelen
In onze studie gebruiken wij het LISS panel om twee soorten vragen aan de deelnemers te stellen: vragen over de gevoelens van de deelnemers (Wat vindt u van het weer? Wat vindt u van het resultaat van uw favoriete voetbalteam? Hoe voelt u zich?, etc.) en vragen over de aandelenmarkt (Welk rendement verwacht u op de AEX-index? Op de S&P 500 index? Wat verwacht u voor de mate van bewegelijkheid van deze indexen? etc.). Met deze vragen keken we naar het verband tussen gevoelens en de voorspellingen voor de aandelenmarkt.

Een zonnige kijk op rendementen
We vinden een zeer duidelijke relatie. Beleggers die hun favoriete voetbalteam zien winnen, verwachten hogere rendementen dan beleggers die hun voetbalteam zien verliezen. Soortgelijke relaties vinden we voor het weer.

Bij beter weer zijn de voorspellingen ook beter. Beleggers die een winterdepressie hebben, verwachten lagere rendementen voor de aandelenmarkt dan beleggers die geen winterdepressie hebben. Gelukkige mensen schatten de rendementen veel hoger in dan ongelukkige mensen.  


Risico inschatting
Opvallend is dat beleggers die een hogere winst verwachten, ook de risico’s lager inschatten. Wij hadden verwacht dat er geen verband zou zijn tussen de schatting van het risico en de winst. Klaarblijkelijk werkt het gevoel twee kanten op: gelukkige beleggers verwachten zowel hogere rendementen als lagere risico’s. Over het geheel vinden we dus dat beleggers zich sterk door hun gevoelens laten leiden. Een opmerkelijk resultaat was overigens dat beleggers zich niet laten leiden door andere sportresultaten dan voetbalresultaten. Kennelijk roept alleen voetbal emoties op die sterk genoeg zijn om voorspellingen voor de aandelenmarkt te beïnvloeden.

 

Geschreven door Guy Kaplanski, Haim Levy, Chris Veld en Yulia Veld-Merkoulova

Even relaxen met een biertje (januari 2011)


Het idee bestaat dat veel mensen hun spanningen en dagelijkse beslommeringen vergeten door het nuttigen van alcohol. Wetenschappelijk bewijs voor dit idee is er echter nauwelijks. En zou het bijvoorbeeld dan ook zo zijn dat mensen die meer spanningen en beslommeringen hebben, meer drinken?

Het idee bestaat dat veel mensen hun spanningen en dagelijkse beslommeringen vergeten door het nuttigen van alcohol. Wetenschappelijk bewijs voor dit idee is er echter nauwelijks. En zou het bijvoorbeeld dan ook zo zijn dat mensen die meer spanningen en beslommeringen hebben, meer drinken? In een wetenschappelijk onderzoek hebben we gekeken naar mogelijke verklaringen voor het verband tussen dagelijkse beslommeringen en het drinken van alcohol. 

Positierollen
Een mogelijk verband is het aantal positierollen dat men heeft. Positierollen zijn bijvoorbeeld "partner", "ouder", of "werknemer". Zo’n positierol brengt bepaalde verwachtingen en beslommeringen met zich mee. De eerste onderzoeksvraag was: in hoeverre spelen dagelijkse beslommeringen een rol bij het verband tussen positierollen en het drinken van alcohol.

Motieven om te drinken
Een andere verklaring kan liggen in de reden waarom mensen drinken. Een voorbeeld van zo’n reden is het omgaan met negatieve dingen. Dit noemt men "coping motives". Er zijn natuurlijk ook andere motieven om te drinken. Bijvoorbeeld omdat het gezellig is op een feestje. De tweede onderzoeksvraag is of het verband tussen dagelijkse beslommeringen en het drinken van alcohol afhankelijk is van "coping motives". Met andere woorden, of dit verband er alleen is wanneer mensen voornamelijk alcohol drinken vanwege "coping motives".

Eerste resultaten
Op basis van gegevens die we via het LISS panel hebben gekregen, weten we nu dat mensen met meer positierollen juist minder drinken. En dat terwijl ze meer dagelijkse beslommeringen hebben! Het maakt echter niet uit of mensen voornamelijk drinken vanwege "coping motives". Als ze dit doen, leidt het wel tot het drinken van meer alcohol. Dat staat echter los van de dagelijkse beslommeringen die mensen hebben.

Waarderen van kunst (januari 2011)



‘Ja, dat zou mijn dochtertje van drie nog kunnen schilderen!’ Sommige kunstwerken zijn niet voor iedereen direct als kunst te herkennen.


‘Ja, dat zou mijn dochtertje van drie nog kunnen schilderen!’ Sommige kunstwerken zijn niet voor iedereen direct als kunst te herkennen. De plek waar ze hangen, de kunstenaar die het gemaakt heeft en het prijskaartje dat erbij hangt, bepalen voor veel mensen ook of iets kunst of kitsch is. 

In ons onderzoek wilden we achterhalen hoe mensen een oordeel vormen over kunst. In het bijzonder hebben we onderzocht wat de invloed is van de externe informatiebron bij de oordeelsvorming. Meer specifiek gingen we na wat het effect is van teksten die uitleg geven over een kunstwerk.
 
Kunst of kitsch?
Panelleden gaven hun mening over een collectie van in totaal twintig schilderijen, waarvan een deel amateurwerk was en een ander gedeelte professioneel werk. Mensen werden van tevoren in groepen ingedeeld. De ene groep kreeg een tekst waarop stond wie het kunstwerk had gemaakt. Bij sommige werken werd gezegd dat het gemaakt was door een amateur en bij andere dat een bekende kunstenaar het gemaakt had. Dit verschilde echter van respondent tot respondent. Bij de andere groep werd de betekenis van het werk uitgelegd. Bij het ene werk gebeurde dit aan de hand van artistieke vaktaal en de andere keer was het een simpele uitleg. Ook deze uitleg verschilde tussen respondenten.

Beoordelen van een kunstwerk
Mensen vonden het kunstwerk beter als zij gehoord hadden dat het door een beroemd kunstenaar was gemaakt of als er veel vaktermen in de uitleg stonden. Het maakte hierbij niet uit of het kunstwerk daadwerkelijk door een kunstenaar of amateur was gemaakt. 

Zoals verwacht, bepaalt de begeleidende informatie net zo goed of je een kunstwerk goed vindt of niet. Mensen leggen sterke verbanden tussen kunstwerken en de verschillende elementen die voorkomen in de manier waarop ze gepresenteerd worden. Als mensen die elementen vervolgens zien bij nog onbekende werken, denkt men sneller dat het om een ‘echt’ kunstwerk gaat.
  
Kijken naar kunst kun je leren
Het effect van reputatie en uitleg wordt sterker naarmate iemand zich verdiept in kunst. Dat is begrijpelijk. Hoe meer kunst je ziet, des te meer herken je de signalen die je vertellen dat het om kunst gaat. Deze vertrouwdheid kan dan op haar beurt worden toegepast in verdere ervaringen. Eigenlijk vertelt dit onderzoek dat iemands waardering van kunst te maken heeft met hoe diegene vroeger naar kunst heeft leren kijken.

 

Geschreven door Koen van Eijck en Michaël Berghman

Wat zijn uw overwegingen om te kiezen voor...? (september 2010)


In april en september van 2010 vroegen we 1930 LISS panelleden naar hun overwegingen bij de keuzes voor het tijdstip, de locatie en het vervoersmiddel om hun dagelijkse boodschappen te doen.

In april en september van 2010 vroegen we 1930 LISS panelleden naar hun overwegingen bij de keuzes voor het tijdstip, de locatie en het vervoersmiddel om hun dagelijkse boodschappen te doen. De onderzoekers van de TU Eindhoven wilden niet alleen uw voorkeuren en keuzes onderzoeken, maar ook waarom u bepaalde keuzes maakt en wat daarbij uw bewuste of onbewuste overwegingen zijn.

Dit onderzoek had als doel om een instrument te ontwikkelen dat langdurige en kostbare interviews vervangt. Dat is grotendeels gelukt. Door de online enquête kon bijvoorbeeld de gemiddelde duur van een interview teruggebracht worden tot een kwartier, terwijl persoonlijke interviews al snel een uur duren.

Aanvinken of intypen?
In het onderzoek werd van twee verschillende methoden gebruikgemaakt. In de ene versie werden antwoordmogelijkheden getoond die respondenten konden aanvinken. In de andere versie moesten respondenten hun overwegingen zelf intypen. 

 


Uit de analyse bleek dat de 'aanvink-methode’ tot ongeveer twee keer zo veel overwegingen leidt als de 'intyp-methode’. Toch zegt de kwantiteit niets over de kwaliteit van de resultaten. Als we nauwkeuriger naar de overwegingen kijken, blijkt dat alle keuzes – ongeacht de gebruikte methode – gebaseerd zijn op gemak en tijdsbesparing. De 'intyp-methode’ blijkt de overwegingen iets preciezer te achterhalen. 

Moeilijkheden
Sommige panelleden hadden problemen bij vragen waarbij ze drie beslissingen met de muis op volgorde moesten zetten om hun prioriteiten aan te geven. Dit zullen we in de toekomst anders oplossen. Ook vonden niet alle respondenten het even gemakkelijk om zich in de denkbeeldige situaties van het experiment te verplaatsen, omdat die situaties in hun eigen leven nooit voorkomen.

 

Toch hebt u met uw overwegingen en aanmerkingen een waardevolle bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van dit meetinstrument. Hartelijk dank daarvoor

!

Waarop baseren we onze besluiten? (augustus 2010)


Iedere dag nemen we tientallen beslissingen. Terwijl de uitkomsten van onze keuzes lang niet altijd zeker zijn. Koop je vandaag een nieuwe auto of wacht je nog even? Sluit je een beleggingshypotheek of een spaarhypotheek af? Kies je voor een hoog eigen risico bij het afsluiten van de zorgverzekering? Stuk voor stuk voorbeelden van vragen waarbij risicohouding een belangrijke rol speelt.

Iedere dag nemen we tientallen beslissingen. Terwijl de uitkomsten van onze keuzes lang niet altijd zeker zijn. Koop je vandaag een nieuwe auto of wacht je nog even? Sluit je een beleggingshypotheek of een spaarhypotheek af? Kies je voor een hoog eigen risico bij het afsluiten van de zorgverzekering? Stuk voor stuk voorbeelden van vragen waarbij risicohouding een belangrijke rol speelt. Om te kunnen voorspellen hoe consumenten in dit soort situaties keuzen maken, is het van belang om te weten hoe de gemiddelde Nederlander tegen risico’s aankijkt.

Risico’s
Daarom hebben we het beslissingsgedrag en de risicovoorkeuren van panelleden in het LISS panel gemeten. We hebben panelleden laten kiezen tussen verschillende loterijen. Zo hebben we onderzocht of mensen risico mijden, en zo ja, hoe sterk hun afkeer tegen risico is. Panelleden werd bijvoorbeeld gevraagd om een keuze te maken tussen een zekere €35 of een loterij die met 50% kans €65, en anders €5 oplevert.
Daarnaast onderzochten we hoe mensen risico’s spreiden als deze onvermijdbaar zijn. Lopen mensen liever risico als ze een hoog inkomen hebben, of als ze een laag inkomen hebben? Dit soort vragen speelt een belangrijke rol in economische modellen die spaargedrag beschrijven, en is relevant voor beleidsbeslissingen over het stimuleren van consumptie.

Resultaten
In de hierboven geschetste keuzesituatie bleek maar liefst 76% van de panelleden voor de zekere €35 euro te kiezen. Dit wijst erop dat mensen inderdaad een voorkeur hebben voor het vermijden van risico. Daarnaast bleken panelleden liever risico te lopen als het inkomen relatief hoog is. Uiteraard was er ook variatie tussen verschillende groepen panelleden. Zo bleken vrouwen en jongeren gemiddeld minder bereid om risico te lopen.

Uw gevoelens over geld (juli 2010)


Optimisme, boosheid, jaloezie, trots of blijheid... Een mens ervaart dagelijks allerlei emoties. Emoties wisselen elkaar af, maar zijn er soms ook tegelijkertijd. Soms zijn ze heel sterk. Andere keren komen ze in wat afgezwakte vorm naar boven. Economen hebben lang weinig van emoties willen weten, maar de laatste jaren is steeds duidelijker geworden dat emoties wel degelijk interessant zijn en een functie hebben voor economisch beslissingsgedrag. Emoties informeren en motiveren ons. Een paar voorbeelden.

Optimisme, boosheid, jaloezie, trots of blijheid... Een mens ervaart dagelijks allerlei emoties. Emoties wisselen elkaar af, maar zijn er soms ook tegelijkertijd. Soms zijn ze heel sterk. Andere keren komen ze in wat afgezwakte vorm naar boven. Economen hebben lang weinig van emoties willen weten, maar de laatste jaren is steeds duidelijker geworden dat emoties wel degelijk interessant zijn en een functie hebben voor economisch beslissingsgedrag. Emoties informeren en motiveren ons. Een paar voorbeelden. Als consumenten boos zijn op bankiers, dan proberen ze hun geld ergens anders onder te brengen. Consumenten die spijt hebben van een aankoop zullen de volgende keer iets anders aanschaffen. Consumenten die droevig zijn over hun situatie proberen deze te verbeteren. Om economisch gedrag goed te begrijpen, is het dus belangrijk om meer over emoties te weten.


Wat zijn de resultaten?
Vanaf juni 2009 is binnen het LISS panel een onderzoeksproject gestart om de emoties van consumenten te meten. Op basis van de emoties die mensen ervaren, kunnen we de zogenoemde Ecomotion-index samenstellen. Deze index laat zien dat Nederlanders meer positieve dan negatieve gevoelens ervaren als ze denken aan hun financiële toekomst. Bovendien is de index sinds het begin van het onderzoek ieder kwartaal gestegen. Nederlanders krijgen een steeds positiever gevoel over hun financiële toekomst. De toename tussen maart 2010 en juni 2010 is echter niet meer zo groot.


Er bestaan wel aanzienlijke verschillen tussen Nederlanders. Dit hangt deels samen met de partijkeuze bij de laatste verkiezingen. Zo hebben Nederlanders die VVD en CDA stemden veruit de meest positieve gevoelens over hun financiële toekomst. PVV- en SP-stemmers hebben er een slecht gevoel over. 

Ook is er sprake van aanzienlijke verschillen tussen leeftijdsgroepen. Jongeren tussen 15 en 24 en tussen 25 en 34 jaar ervaren de meest positieve en minst negatieve gevoelens over hun toekomst. Opvallend is dat de leeftijdsgroep tussen 45 en 54 jaar het laagst scoort. Zij hebben relatief de meest negatieve gevoelens van alle leeftijdsgroepen.

Het zekere voor het onzekere (januari 2010)


Wie wordt er dit jaar kampioen van de eredivisie? Heb ik volgend jaar nog wel dezelfde baan? En houdt mijn partner nog wel van me? Ons leven zit vol onzekerheden. Daardoor wordt het moeilijk om de juiste beslissingen te nemen. Vorig jaar hebben we LISS panelleden een aantal vragen gesteld over hoe zij met onzekerheden omgaan.

Wie wordt er dit jaar kampioen van de eredivisie? Heb ik volgend jaar nog wel dezelfde baan? En houdt mijn partner nog wel van me? Ons leven zit vol onzekerheden. Daardoor wordt het moeilijk om de juiste beslissingen te nemen. Vorig jaar hebben we LISS panelleden een aantal vragen gesteld over hoe zij met onzekerheden omgaan. Hieronder leest u een aantal onderzoeksresultaten.
 
Kansen 
In de economische risico-analyses is het gebruikelijk om aan te nemen dat mensen de kansen van alle uitkomsten van te voren precies weten. De economie ziet beslissingen dan als een kans-spel, waarbij we de verwachte uitkomst en het risico van te voren kunnen berekenen. U kunt het vergelijken met wedden op kop of munt. Daarmee hebt u gegarandeerd 50% kans op succes. In werkelijkheid kennen we meestal niet van te voren de echte statistische kansen van economische risico’s. Iedere financiële crisis is veroorzaakt door nieuwe risico’s die we niet voorzien hadden. Pas recentelijk zijn theorieën ontworpen die dat soort situaties met onbekende kansen kunnen behandelen. Wij doen onderzoek naar dat soort theorieën.

Loterij
In januari 2010 hebben we in het LISS panel een aantal vragen gesteld om te meten hoe mensen met onzekerheden omgaan. Bij de vragen konden respondenten kiezen voor een loterij met een onzekere kans op een prijs van 15 euro of voor een loterij met een gegeven kans op 15 euro winst. De onderzoekers konden op deze manier meten bij welke gegeven kans op winst mensen de onzekerheid voor lief nemen. Uit onderzoek blijkt dat mensen liever beslissingen nemen met gegeven kansen (kop of munt). Met andere woorden: in het algemeen houden we niet van onzekerheid.

Onderschatten of overschatten van het onbekende
Een ander interessant effect is dat mensen de neiging hebben om onzekere uitkomsten die niet erg waarschijnlijk zijn te overschatten. Dit verklaart onder andere het succes van loterijen: we denken dat we meer kans maken dan in werkelijkheid het geval is. Tegelijkertijd onderschatten de meeste mensen onzekere uitkomsten die juist wel erg waarschijnlijk zijn. 
Veel mensen schatten alle onbekende kansen van onzekere uitkomsten voor het gemak maar in de buurt van 50%, alsof het allemaal om 'kop of munt’ gaat. De onderzoekers noemen dit effect 'ongevoeligheid voor de waarschijnlijkheid van onbekende uitkomsten’. Uit het onderzoek blijkt dat mensen met grotere 'ongevoeligheid voor de waarschijnlijkheid van onbekende uitkomsten’ minder vaak in aandelen beleggen en ook minder vaak een eigen bedrijf hebben. 

'Ongebonden spiritualiteit' in het dagelijkse leven (oktober 2009)


De meeste kerken verliezen steeds meer leden. Veel mensen zoeken naar de zin van hun leven buiten de gevestigde religies om. Ze laten zich soms wel inspireren door religieuze, spirituele of filosofische ideeën, maar horen niet meer bij een kerk, moskee of vergelijkbare organisatie. In oktober 2009 stelden we u enkele vragen over spiritualiteit, zingeving en levenshouding. Uit de antwoorden blijkt dat een kwart van de Nederlandse bevolking op zo’n manier 'ongebonden spiritueel’ is.

De meeste kerken verliezen steeds meer leden. Veel mensen zoeken naar de zin van hun leven buiten de gevestigde religies om. Ze laten zich soms wel inspireren door religieuze, spirituele of filosofische ideeën, maar horen niet meer bij een kerk, moskee of vergelijkbare organisatie. In oktober 2009 stelden we u enkele vragen over spiritualiteit, zingeving en levenshouding. Uit de antwoorden blijkt dat een kwart van de Nederlandse bevolking op zo’n manier 'ongebonden spiritueel’ is. Wie zijn deze mensen, wat geloven ze en hoe brengen ze dat in praktijk?

De ongebonden spirituelen bestaan voor een groter deel uit vrouwen (59%) dan mannen (42%). Ze zijn iets hoger opgeleid dan gemiddeld en wonen iets vaker in de stad dan op het platteland. Juist omdat het mensen zijn die hun eigen weg zoeken, lijkt het logisch dat ze onderling nogal verschillen in hun spirituele denkbeelden, ervaringen en activiteiten. Voor een deel klopt dat. Maar ook binnen een kerk, moskee of andere religieuze gemeenschap is niet iedereen hetzelfde qua geloofsideeën, gevoelens en activiteiten. In hoeverre verschillen de ongebonden spirituelen (OS) van gelovigen die wel bij een religieuze groepering (RG) horen? Enkele gegevens:

Ongebonden spirituelen zijn sterker gericht op het eigen innerlijk als bron van spiritualiteit. Dat komt bijvoorbeeld tot uiting in de mening dat:
- alle antwoorden in jezelf te vinden zijn. (OS 41% tegenover 33% RG);
- je moet vertrouwen op je innerlijke stem (OS 79% tegenover 68% RG);
- je je diepere Zelf moet ontwikkelen (OS 43% tegenover 32% RG).

Ook vinden ze veel vaker dat:
- je verschillende levenswijsheden en praktijken kunt combineren tot wat het beste bij je past (OS 76% tegenover 58% RG);
- ieder zijn eigen waarheid heeft (OS 77% tegenover 62% RG).

Alternatief en paranormaal
Ongebonden spirituelen geloven veel vaker dan mensen die bij een religieuze groepering horen in alternatieve geneeswijzen als reiki (anderhalf maal vaker), in paranormale zaken als astrologie en horoscopen (bijna tweemaal zo vaak) en de mogelijkheid van contact met overledenen (OS 34% tegenover 19% RG). Ook doen ze vaker aan yoga (OS 21% tegenover 15% RG) en reiki (OS 12% tegenover 7% RG).

Opvallende resultaten
Er wordt vaak gezegd dat ongebonden spirituelen sterk gericht zijn op innerlijke ervaringen en ervaringen van verbondenheid met anderen en de natuur. Velen van hen hebben die ervaringen ook. Maar mensen die bij een religieuze groepering horen, hebben ze iets vaker.

Zijn ongebonden spirituelen (of een deel van hen) minder intensief bezig met hun geloof? Opmerkelijk is dat 24% van hen aangeeft dat de spirituele overtuigingen geen invloed hebben op hun dagelijks leven. Voor mensen die wel bij een religieuze groepering horen is dit slechts 10%.

 

Sociale betrokkenheid
De verminderde invloed van kerken zou een negatieve invloed hebben op de samenleving. De onderlinge solidariteit van mensen gaat verloren. Ongebonden spirituelen zijn egotrippers. Is dat wel zo?

Uit de antwoorden blijkt dat voor een meerderheid van hen (61%) het persoonlijk geluk sterk afhangt van het geluk van de mensen om hen heen. Slechts 11% van hen voelt zich niet verantwoordelijk voor het welzijn van de maatschappij, en dat is minder dan het gemiddelde van de bevolking (12%).

Maar dragen zij ook daadwerkelijk bij aan het welzijn van de maatschappij? Zijn ze bijvoorbeeld vrijwilliger voor een organisatie voor humanitaire hulp, mensenrechten, minderheden, of immigranten? Dat doet 2% van hen, en ze blijven daarbij achter bij de mensen die wel bij een religieuze groepering horen: daar doet 5% aan vrijwilligerswerk.

Je kunt ook kijken naar de verantwoordelijkheid die mensen nemen voor het milieu, met het oog op de toekomstige generaties. Dan blijkt dat zij iets meer dan gemiddeld vinden dat we de wereld voor de volgende generatie goed moeten achterlaten. Ze ondernemen dan ook meer dan gemiddeld actie op dat gebied, bijvoorbeeld door geld te geven aan natuur- of milieuorganisaties (42%) of door energiebesparende maatregelen in huis te nemen (61%).

Conclusie: op de meeste punten van sociale betrokkenheid scoorden ze net iets lager dan de mensen die wel bij een religieuze groepering horen. Maar tegelijk ook veel hoger dan niet-gelovigen.

Over het onderzoek
De vragenlijst over spiritualiteit maakt deel uit van het promotieonderzoek van Joantine Berghuijs van de Universiteit Utrecht.

Recht in eigen hand? (september 2009)


Stel: een dronken bestuurder rijdt een meisje aan op een zebrapad. Haar vader is woedend en slaat de bestuurder in elkaar. Wat vindt u daarvan?

Stel: een dronken bestuurder rijdt een meisje aan op een zebrapad. Haar vader is woedend en slaat de bestuurder in elkaar. Wat vindt u daarvan? En hoeveel straf verdienen de mannen?

In september 2009 hebben we aan een deel van het LISS panel fictieve nieuwsberichten voorgelegd. Het eerste ging over een meisje dat op een zebrapad werd aangereden door een dronken bestuurder. De panelleden moesten aangeven hoe erg ze dat vonden en hoeveel straf de bestuurder verdiende. Het tweede nieuwsbericht ging over de vader van het meisje die wraak nam door hem in elkaar te slaan. Panelleden moesten hierna aangeven hoe erg ze het vonden dat de vader het recht in eigen handen nam, en of hij hiervoor straf verdiende. Naast deze versie waren er nog twee andere fictieve situaties waarin er een voorval beschreven wordt (een dronken bestuurder die een man van zijn fiets rijdt, en een man die een meisje aanrandt) en er vervolgens iemand voor eigen rechter gaat spelen. 


Vertrouwen in het rechtssysteem
Een maand na het lezen van de fictieve nieuwsberichten hebben we de panelleden gevraagd hoe zij over het algemeen denken over eigenrichting (het recht in eigen hand nemen). Ze kregen ook vragen over hun vertrouwen in het rechtssysteem en de mate waarin ze zich zorgen maken over criminaliteit in Nederland. Deze meningen hebben we gekoppeld aan de reacties op de fictieve nieuwsberichten.

Afkeuren van de wraakactie
Het onderzoek laat een duidelijk verband zien tussen hoe mensen denken over burgers die het recht in eigen hand nemen en hun reactie op een specifiek voorbeeld. Hoe minder algemene steun voor eigenrichting, hoe meer afkeuring voor bijvoorbeeld de vader die wraak neemt. Mensen hebben in dat geval vooral medelijden met het slachtoffer van de wraakactie. En ze vinden dat de vader moet worden gestraft voor zijn gedrag.

Over de onderzoeker
Dit onderzoek maakt onderdeel uit van het promotieonderzoek van Nicole Haas. Zij promoveert aan het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving in Amsterdam en Universiteit Leiden. In haar proefschrift over Steun voor eigenrichting staan alle resultaten van deze studie. Het proefschrift verschijnt eind 2010.








 

 

Wat vinden we van onze ministers? (augustus 2009)


We hebben in januari en juli 2009 vragen gesteld over de ministers in het huidige kabinet Balkende IV*. We wilden graag weten welke ministers u kent. En wat u belangrijke eigenschappen vindt van een goede minister. Volgens ons onderzoek zijn dat: betrouwbaarheid, eerlijkheid en bekwaamheid.

We hebben in januari en juli 2009 vragen gesteld over de ministers in het huidige kabinet Balkende IV*. We wilden graag weten welke ministers u kent. En wat u belangrijke eigenschappen vindt van een goede minister. Volgens ons onderzoek zijn dat: betrouwbaarheid, eerlijkheid en bekwaamheid.

Maar wat misschien nog wel leuker is om te weten: wie scoren daarop het hoogst?

Jan Peter Balkenende (Algemene Zaken), Wouter Bos (Financiën) en André Rouvoet (Jeugd en Gezin) zijn het meest bekend. Dat is niet verrassend: zij zijn de leiders van de drie regerende partijen en alle drie (vice)premier. Het minst bekend is Eberhard van der Laan, de minister van Wonen, Wijken en Integratie. Bij het afnemen van de vragenlijst was hij nog maar net aangetreden als opvolger van Ella Vogelaar en dus de kortst zittende minister. Ook ministers Jacqueline Cramer (VROM) en Gerda Verburg (LNV) zijn erg onbekend.

Betrouwbaar
Rouvoet (75%), minister van OCW Ronald Plasterk (73,4%) en Balkenende (73%) scoren het hoogst op betrouwbaarheid. Ook Ernst Hirsch Ballin (Justitie), Camiel Eurlings (V&W), Bos en Bert Koenders (Ontwikkelingssamenwerking) scoren boven de 70%. Cramer en Eimert van Middelkoop (Defensie) scoren als hekkensluiters flink onder de rest (respectievelijk 56% en 50,7%). Op eerlijkheid scoren alle ministers ongeveer gelijk.

Bekwaam
Bij bekwaamheid verandert de zaak. Bos scoort hier het hoogst van alle ministers: 79,2% van de panelleden vindt hem bekwaam of zeer bekwaam. Hij wordt op de voet gevolgd door Hirsch Ballin.

Waarom dit onderzoek?
In juli 2009 is de vragenlijst van januari herhaald. Ook in januari en juli 2010 herhalen we het onderzoek om veranderingen te meten. De resultaten worden geanalyseerd door drs. Eva Wisse. Zij is als promotieonderzoeker verbonden aan de Universiteit van Tilburg en schrijft een proefschrift over vertrouwen in leiderschap.

* In het kabinet Balkenende IV regeren CDA, PvdA en de ChristenUnie samen. Er zijn zestien ministers: vier vrouwen en twaalf mannen. CDA en PvdA leveren ieder zeven ministers en twee ministers zijn van de ChristenUnie.

Internet en cybercriminaliteit (februari 2008)


Computers en internet maken veel gemakkelijker. Maar ze bieden ook mogelijkheden voor criminelen om bestaande vormen van criminaliteit op nieuwe manieren te plegen. Het LISS panelonderzoek van februari 2008 ging over cybercriminaliteit – bedreiging via digitale hulpmiddelen, zoals e-mail.

Computers en internet maken veel gemakkelijker. Maar ze bieden ook mogelijkheden voor criminelen om bestaande vormen van criminaliteit op nieuwe manieren te plegen. Het LISS panelonderzoek van februari 2008 ging over cybercriminaliteit – bedreiging via digitale hulpmiddelen, zoals e-mail.

Uit dat onderzoek blijkt dat slechts 2% van de panelleden in een jaar tijd bedreigd is via e-mail, sms of chatsite. 'Traditionele’ bedreigingen (via een brief of persoonlijk) komen vaker voor: ruim 6% maakte dit mee. Deze twee groepen zijn deels overlappend: 1,3% van alle respondenten had beide vormen van bedreiging meegemaakt.
 

Risico’s
Jongeren worden (vooral digitaal) vaker bedreigd dan mensen die ouder zijn dan 25 jaar. Onder mensen ouder dan 25 jaar komen digitale bedreigingen zeer weinig voor. Verder speelt de karaktertrek impulsiviteit een rol. Impulsieve mensen zijn misschien meer toegankelijke doelwitten, die sneller verzeild raken in conflicten. Zij bleken vaker zowel traditionele bedreigingen als een mix van digitale en traditionele bedreigingen mee te maken. 

Elkaar adviseren
Is er iets aan te doen? Jawel. We kunnen elkaar beter in de gaten houden. Partners, ouders en kinderen kunnen elkaar voorlichten over verantwoord internetgebruik. Een gezin kan een belangrijke rol spelen. Uit het onderzoek blijkt dat leden van huishoudens met twee partners, zoals gezinnen of stellen zonder kinderen, minder vaak slachtoffer worden.
 


Over de onderzoeker
In het onderzoek vergelijkt Johan van Wilsem digitale en traditionele bedreiging. Ook kijkt hij naar de risicofactoren om slachtoffer te worden. Van Wilsem werkt als universitair docent bij de faculteit Rechtsgeleerdheid van Universiteit Leiden.

Uiteraard zijn uw internetactiviteiten voor het LISS panel helemaal veilig. Wilt u meer weten over veilig internetten? Kijk dan op www.veiliginternetten.nl.