Bewegingsmeters en uitspraken over de volksgezondheid (februari 2026)

Door nieuwe technologische ontwikkelingen kunnen apparaten zoals een bewegingsmeter worden ingezet voor onderzoek naar fysieke activiteit. Maar als je iets wilt zeggen over de bevolking in het algemeen, moet de groep deelnemers die meedoet aan het onderzoek een goede afspiegeling zijn. Dat is een uitdaging.

Onderzoek naar de bereidheid mee te doen

In het LISS panel is onderzoek gedaan naar de factoren die verband houden met de bereidheid om een bewegingsmeter (accelerometer) te dragen en de bereidheid om mee te doen aan onderzoek met de eigen, persoonlijke, bewegingsmeter (activity tracker) zoals een Fitbit. Met de bewegingsmeter die door ons werd verstrekt (in dit geval de activPal) kunnen versnellingen van lichaamsbewegingen worden gemeten. Het is een klein apparaatje (zie afbeelding) dat op het dijbeen wordt geplakt. De activity tracker die LISS panelleden zelf hebben, is een draagbaar apparaat (een wearable) dat persoonlijke gezondheids- en bewegingsgegevens meet, zoals stappen, hartslag en slaap en is puur gericht op fitness en gezondheid (in tegenstelling tot bijvoorbeeld een smartwatch).

Methode

Zo’n 3.800 LISS panelleden is gevraagd om tweemaal een vragenlijst in te vullen over hun fysieke activiteit en hun zittend/liggend gedrag. Tussen de twee vragenlijsten zat een periode van negen maanden (juni en oktober 2021). Ook is aan de panelleden een aantal vragen gesteld over gezondheid.

Resultaten

Ongeveer 2.700 panelleden vulden beide vragenlijsten in en de helft ervan was bereid om een activPal te dragen. De bereidheid was onder vrouwen hoger dan onder mannen, het hoogst bij personen in de leeftijdsgroep 25-44 jaar, onder hoger opgeleiden en mensen die zelf een bewegingsmeter bezaten, en onder degenen die regelmatig bewegen (denk aan 150 minuten matige intensieve activiteit per week). Bij eerste generatie Westerse migranten en mensen met een chronische aandoening was de bereidheid om mee te doen het minst.

Ongeveer 20% van de deelnemers had zelf een activity tracker. Het hebben van een activity tracker wordt geassocieerd met jonger zijn, hoger opgeleid, gezonder, en al voldoende bewegen, maar aan de andere kant óók met overgewicht of zwaarlijvigheid. Daarom kunnen er geen uitspraken worden gedaan voor de hele bevolking als je alleen de bereidwilligen een bewegingsmeter laat dragen, of de groep neemt die zelf een activity tracker heeft.

Conclusie

Onderzoek doen naar fysieke activiteit door het gebruik van een bewegingsmeter is veelbelovend. Maar onderzoek doen naar de algehele bevolking lijkt nu nog te moeilijk omdat niet iedereen bereid is een bewegingsmeter te dragen en niet iedereen zelf een activity tracker heeft. Het is dus nog niet mogelijk de volksgezondheid goed in kaart te brengen met behulp van deze apparaten alleen.

Bron: “Representativeness in physical activity surveillance: who wants to wear an accelerometer and who owns
a personal activity tracker?
“, Journal for the Measurement of Physical Behaviour, vol. 8, nr. 1, pp. 1-1, I. de Wolf, V. Toepoel, M.E. Kompier e.a. (2025).