De verdeling van huishoudelijke taken tussen man en vrouw als beiden hybride kunnen werken (januari 2026)

Het aantal personen dat thuis werkt is sinds corona sterk toegenomen en het fenomeen thuiswerken is een blijvertje geworden. Een op de drie werknemers werkt hybride (dus deels op kantoor en deels thuis). In maart en april 2025 is in het LISS panel een vragenlijst uitgezet onder 4000 werkende panelleden om te bekijken wat voor effect het thuiswerken heeft op de verdeling van huishoudelijke taken en de zorg voor kinderen.

In het onderzoek kregen de panelleden korte beschrijvingen (zogenaamde vignetten) van tweeverdieners van hetzelfde geslacht, die ongeveer hetzelfde inkomen hebben en eenzelfde reisafstand hebben tot hun werk. De helft van de panelleden kreeg als hoofdpersoon van de beschrijving de vrouw en de andere helft de man. Er werden verschillende situaties beschreven, zoals dat een ziek kind moest worden opgehaald van school, of dat een auto moest worden opgehaald van de garage. Er werd gevraagd wie van de partners dit moest doen als beiden op hun werk waren, of als een van de partners thuis werkte.

Voor het onderzoek is er bewust voor gekozen om inkomen en reisafstand voor beide partners gelijk te maken en alle beschrijvingen gelijk te houden zodat interpretatie van de data niet zou worden bemoeilijkt door factoren als: een van de partners verricht meer huishoudelijk werk of hecht een grotere waarde aan flexibiliteit en heeft daarom een baan die daarmee rekening houdt, of door hoe men denkt over huishoudelijk werk en zorg voor de kinderen.

Versterkt thuis werken de verwachtingen over wie de huishoudelijke taken en de zorg voor kinderen moet doen?

Uit het onderzoek blijkt dat van zowel mannen als vrouwen die thuiswerken wordt verwacht dat ze huishoudelijke taken doen en zorgen voor de kinderen. Maar deze verwachting is 10-14% hoger als de persoon die thuis werkt een man is. Dit suggereert dat door thuiswerken de traditionele genderverdeling van betaalde en onbetaalde werkverantwoordelijkheden vervaagt. Maar dit is anders wanneer niemand thuis werkt, men is het er dan over eens dat beide partners in gelijke mate huishoudelijke taken (zoals bijvoorbeeld koken) zouden moeten verrichten.

Over wie een kind uit school moet halen als het ziek is of de auto van de garage oppikt, is de meerderheid van de respondenten het eens: de partner die thuis werkt. Maar ook hier geldt dat zowel vrouwelijke als mannelijke respondenten dit méér verwachten als degene die thuis werkt een man is.

Conclusies

Er wordt verwacht dat degene die thuis werkt (en zeker de mannen) meer huishoudelijke taken doen dan als er alleen op kantoor (dus niet thuis) wordt gewerkt. Thuiswerken kan de traditionele normen rond de genderverdeling van huishoudelijk werk en kinderopvang eerder ondermijnen dan versterken. Hybride werken kan daarmee zorgen voor gendergelijkheid en stabiliteit van het gezin.

Maar tegelijkertijd moet worden erkend dat niet iedereen kan thuiswerken. Hoogopgeleid kantoorpersoneel is eerder in staat om thuis te werken en de voordelen zijn er dus alleen voor deze huishoudens. Hiermee ontstaat een maatschappelijke kloof tussen degenen die thuis kunnen werken en degenen die dat niet kunnen.

Bron: A vignette study of work from home and attitudes to household work, door Andreas Kotsadam, Mette Løvgren, Nicolas Moreau, Elena Stancanelli, en Arthur van Soest. CEPR – VoxEU, 2 januari 2026.